De dichter was de nieuwe nar

Beduimelde boekjes, volgekrabbeld met aantekeningen, gemaakt als geheugensteun voor performers – Herman Pleij laat zien hoe er in de late Middeleeuwen werd gelezen.

Herman Pleij: Het gevleugelde woord. Geschiedenis van de Nederlandse literatuur 1400-1560. Prometheus, 863 blz. € 49,95 / € 39,95

Aan het einde van de periode die Herman Pleij behandelt in Het gevleugelde woord, het nieuwe deel van de Geschiedenis van de Nederlandse Literatuur, schrijft de Brugse dichter Eduard de Dene (ca.1505 - ca.1578), de ‘laatste volbloed rederijker’, zijn literaire testament. Eer my de doot myn licht huutsnute. In datzelfde jaar 1461 beleeft de rederijkerscultuur haar hoogtepunt tijdens het Antwerpse Landjuweel. Eduard de Dene zal nog jaren leven en schrijven, maar na deze grote bloei, zouden de ‘cameren van rhetorike’ snel wegkwijnen.

De literaire kunst van de 15de en 16de eeuw is bij uitstek een gemeenschapskunst – de literaire lezer bestond niet of nauwelijks, althans waar het de volkstaal betrof, en het persoonlijke genieten met een ‘boekje in een hoekje’, was voorbehouden aan een elite die zich bediende van Latijn.

Pleij laat in zijn boek uitgebreid zien welke functie literatuur had. Bij de opkomst van de steden eind 15de eeuw in de Bourgondische Nederlanden, ontstaat een klasse die zich wil onderscheiden van het platteland, met zijn sprooksprekers en zwervende dichters. De burgerij zoekt een identiteit en vindt een bruikbaar instrument in de literatuur.

De teksten, van nog veelal anonieme schrijvers, zijn bedoeld om voor te lezen, en hoezeer sommige werken nog altijd genietbaar zijn voor de hedendaagse lezer, pas in de publieke uitvoering kregen zij hun voltooiing. Het weinige wat is overgeleverd in schrift diende doorgaans als geheugensteun; de tekstboekjes missen versiering, zijn beduimeld en volgeschreven: gebruiksgoed voor performers. De teksten zitten vol formules, aanroepen, terugverwijzingen en stoplappen; bij uitstek de trukendoos van een orale vertelcultuur.

In de steden neemt het aantal mensen dat kan lezen en schrijven toe. Vieringen rond geboorte, dood en huwelijk; ommegangen, blijde inkomsten en vastenavondspelen vragen om steeds nieuwe teksten. Wijkverenigingen, gilden en schutters verzorgen spektakels met levende tableaus, fakkels en vuurwerk. Men kan deelnemen aan, of zich laten betoveren door de Bliscappen van Maria, of extatisch meeleven met het drama van Christus’ lijden. Daarnaast zorgen esbattementen, sotternieën en kluchten voor de bevrijdende lach.

Gaandeweg nemen professionelere rederijkerskamers deze taken over; vaak zijn de schrijvers stadsklerken. Hier ontstaat in onderlinge wedijver een klankrijke woordkunst die overigens nog altijd is bedoeld voor publieke voordracht. Refreinen zijn het, rijmprenten, gedichten en liederen op vliegende blaadjes. De kunst moet een pragmatische stadsideologie rechtvaardigen en bevestigen. Een geliefd thema is de omgekeerde wereld, die wordt bevolkt door zotten, narren, ezelspausen en dominante vrouwen met sukkelige mannen. Deze absurde voorstellingen zijn niet in tegenspraak met de bestaande orden, maar bevestigen deze, juist door hun onbestaanbaarheid, benadrukt Pleij. Verwende stadsjongeren, ‘wittebroodskinderen’ hebben hun rituelen met ketelmuziek en gelegenheidsrechtbanken waarin ze de draak steken met wie er maar afwijkt van de huwelijksmoraal. Let wel, het gaat hier niet om rebelse jeugd, niet om wereldverbeteraars, of om Nietzsches ‘pijlen van verlangen naar de overkant van de rivier,’ maar om een rite de passage, die de stedelijke huwelijksmoraal moet bevestigen.

Het is een tijd vol onzekerheden en ketterse onderstromen. Gevoelige zaken kunnen niet zomaar worden besproken. Desondanks gebeurt dit. In de omgekeerde werelden is het de zot die kan zeggen wat hij wil, hij is immers gek. En als hij over de schreef gaat, kan hij de woorden in de mond van zijn marot leggen, zijn evenbeeld in miniatuur dat hij als gekkenstok bij zich draagt. Daaruit ontstaan dan eindeloze komische tweespraken en twistgesprekken. En zo, met ‘alle gekheid op een stokje’ geconcentreerd, blijft de ernst van het echte leven gewaarborgd.

De zot die de waarheid spreekt, kenden we al van Erasmus. Uiteraard speelt de dwaas hier een dubbele rol, want hij kan kritiek vatten in absurditeiten, en hoezeer ook in zotheid ingebed; zijn dit geen vroege manifestaties van het vrije woord? Dialogen en disputen zijn een geliefd tijdverdrijf, en het ideeëngoed van Reformatie en humanisme vindt snel ingang bij de rederijkerskamers. Het Antwerpse Landjuweel van 1461 mag alleen doorgaan als men geen heikele geloofskwesties aansnijdt. Steeds vaker zien de verontruste overheden de kamers als mogelijke broedplaatsen van subversiviteit, en ze proberen hen in te perken. Het is verleidelijk, maar misschien iets te kort door de bocht, om in de zot met zijn gekkenstaf een kiemcel te zien van de parlementaire democratie.

Eerdere literatuurhistorici wisten zich nooit goed raad met de rederijkerskunst; ondanks de evidente kwaliteit van de allergrootsten, beoordeelde men het gros van de productie als platvloers en lomp, of als ondoorgrondelijke woordkunst zonder veel inhoud. Bij Van Mierlo, die De letterkunde van de Middeleeuwen in 1939 schreef, doen de strenge morele oordelen zo oubollig aan, dat het bijna komisch is, en ook Te Winkel meldt in De ontwikkelingsgang der Nederlandsche letterkunde (1922) bijna vergoelijkend dat wij niet moeten vergeten dat de overgeleverde teksten in de eerste plaats waren bedoeld voor vertoning. Maar daar laat hij het bij.

Pleij gaat veel verder, hij schildert in grote streken en in een prachtige, klare stijl de stedelijke samenleving van de 15de en 16de eeuw, en hij doet het geschreven woord van die periode recht door het te plaatsen in een breed cultuurhistorisch perspectief. Zonder te vervallen in goedkoop relativisme, zonder uitputtende opsommingen, geeft hij de werken van de rederijkers hun oorspronkelijke context terug, en daarmee lijkt dit prachtige boek, zijn magnum opus, houdbaarder dan de literatuurgeschiedenissen van zijn voorgangers. Als er al iets mist in dit zeer omvangrijke boek, dan zijn dat de teksten zelf. Maar juist hiervoor is het internet een geweldig medium, want zeer veel teksten staan inmiddels online en liggen binnen handbereik.

De uitvinding van de boekdrukkunst geeft een nieuwe impuls aan de schriftcultuur. Er ontstaat een veel groter aanbod aan teksten. Drukkers, op zoek naar publiek bieden nu teksten aan die persoonlijk genoten kunnen worden, vaak met een korte gebruiksaanwijzing voor het indiviueel lezen. Toch blijft men de boeken vooral in gezelschap voorlezen. De nieuwe schrijver is een professioneel kunstenaar die kan leven van de pen.

De belangrijkste drijfveren bij schrijven zijn nog steeds instructie en bestrijding van de gevreesde melancholie. Maar toch ontstaat er ook onherroepelijk een waardering voor het esthetische, voor een schone taalkunst die de functionaliteit ver te boven gaat. Nu komen grote kunstenaars naar voren zoals Anthonis de Roovere (ca 1430- 1482), van wie veel werk bewaard zal blijven in verzamelingen, en die een eeuw later nog in druk zal verschijnen opdat zijn werk niet verloren gaat.

Hier roept De Roovere op tot de onvermijdelijke dodendans:

Dese meyskens zijn oock alle ghedaecht,

Die te vastenavonde pijpers hueren,

Eest dienstbode, voestre oft maecht,

Die haer voeten te dansene rueren;

Dese moeten wech, in corter uren,

Hoe jonck sy zijn, hoe blijde van gheeste;

Dit danssen, dit reyen mach hier niet dueren:

Sy moeten gaen danssen ter mollen feeste.

Vrouwen konden geen lid worden van de kamers, zij beperkten zich noodgedwongen tot geestelijke, mystieke literatuur. Toch lijkt het erop dat zich onder de anonieme schrijvers veel vrouwen bevonden. Anna Bijns, de grootste dichteres van deze periode, neemt een unieke plaats in. Zij kon haar talenten ontwikkelen dankzij haar vader, die deelnam aan een Antwerpse rederijkerskamer. Als jong meisje heeft zij waarschijnlijk anoniem meegedaan aan de competities. Zij is geenszins tegen de traditionele rolverdeling: ‘peinst, tis al vrouwenwerk.’ Bijns onderscheidt zich van tijdgenoten door haar hekeling van het klassieke hedonisme, en van de humanistische invloeden die ze verantwoordelijk acht voor de terugkeer van naakte lichamen in de kunst. Eerder dan een kind van haar tijd, is zij een aartsconservatieve buitenstaander:

’t Volk mest in zijn kwaadheid als ’t verken in ’t kot’

Eduard de Dene bekleedt een belangrijke functie als advocaat bij de vierschaar van zijn stad en hij is leider van de plaatselijke rederijkerskamer. Zijn levensstijl is verre van voorbeeldig; hij wordt gestraft omdat hij zijn vrouw mishandelt, heeft speelschulden en staat bekend als dronkelap. Dat dit zijn carrière niet lijkt te schaden, komt doordat dichter en schrijver ondertussen een uitzonderingspositie bekleden. Misschien is de schrijver hierin wel de ware erfgenaam van de zot met zijn marot. Tot op zekere hoogte biedt zijn status bescherming tegen de wet en tegen het burgermansfatsoen. De nieuwe schrijver is een bohémien voor wie zijn uitbundige, volle levensstijl noodzakelijkerwijs voortkomt uit, en voorwaarde is voor zijn kunst. Eduard de Dene, lijkt hiermee in Pleijs woorden ‘de eerste literaire kunstenaar in de Nederlandse letterkunde.’

Het tijdperk van de rederijkers is voorbij, en dat komt vooral omdat ze uit de tijd zijn; andere tijden brengen nieuwe vormen, en minder dan ooit zal het gevleugelde woord zich laten vangen.