De butler/knecht-vrouw

Vorige week presenteerde minister Plasterk (PvdA) van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap de Emancipatienota. Volgens het kabinet is „werk de sleutel tot gelijkheid tussen mannen en vrouwen”, „biedt deeltijdwerk vrouwen nauwelijks perspectief op een serieuze carrière” en heeft Nederland „meer vrouwen nodig aan de top”.

Vandaag wordt in Maastricht een congres gehouden over de ondervertegenwoordiging van vrouwen in de wetenschap. Dat is een universeel probleem, maar Nederland scoort hierbij wel bijzonder slecht met negen procent vrouwelijke hoogleraren, ver beneden het Europese gemiddelde. In de best presterende EU-landen, Portugal en Finland, is ruim een kwart van de hoogleraren vrouw. Nederland doet het niet beter dan Botswana.

Er is veel onderzoek gedaan naar de oorzaken ervan, onder meer door Brouns en Van den Brink en door Ellemers. Die laatste constateerde in 2004 dat hooggeplaatste wetenschappers inderdaad een vooroordeel koesteren ten aanzien van jonge vrouwelijke onderzoekers, namelijk dat ze minder toegewijd zouden zijn.

Deze negatieve stereotypering is echter niet van mannen afkomstig, maar van hooggeplaatste vrouwen in de wetenschap. De zogeheten Queen Bees (bijenkoninginnen) zouden ervoor verantwoordelijk zijn dat het glazen plafond in stand blijft, aldus Ellemers.

Maar dat is natuurlijk lariekoek. In de eerste plaats zijn er veel te weinig vrouwen in hooggeplaatste posities op universiteiten of waar dan ook om de benoeming van een vrouw op welke positie dan ook te blokkeren. In de tweede plaats blijkt uit onderzoek dat naarmate er meer vrouwen in een benoemingscommissie zitten de kans dat een vrouw wordt benoemd met sprongen toeneemt in plaats van afneemt, zoals Ellemers suggereert.

Vrouwen mogen dan kritisch zijn jegens andere vrouwen, ze zien vrouwelijk talent niet over het hoofd, zoals mannen doen. Het onderzoek van Brouns en Van den Brink Een kwestie van kwaliteit uit 2004 is in dit opzicht interessanter dan dat van Ellemers. De onderzoekers hebben de loopbanen van cum laude gepromoveerde vrouwen en mannen vergeleken.

Vrouwen hebben in de regel minder publicaties op hun naam staan, maar het werk van vrouwen wordt vaker geciteerd, wat in de wetenschap een belangrijke maatstaf is voor kwaliteit.

Neem bijvoorbeeld de geneticus Annelies de Klein, die in 1982 een artikel schreef dat mede de grondslag legde voor een medicijn tegen kanker. Zij werd in totaal 863 keer geciteerd. Daarmee voerde zij, volgens een artikel in deze krant op 24 februari 2007, de ranglijst aan die was opgesteld aan de hand van een steekproef uit de wetenschappelijke productie van 1982. De zeven mannelijke auteurs die achter haar in de top-8 stonden zijn allemaal hoogleraar geworden, maar Annelies de Klein, die altijd fulltime heeft gewerkt, niet.

Brouns en Van den Brink toetsen de verschillende verklaringen voor het geringe aantal vrouwelijke hoogleraren. Factoren als commitment en deeltijdwerk kunnen volgens de onderzoekers het tekort niet verklaren. Vrouwen hebben geen gebrek aan talent, ook niet aan ambitie, en het ligt ook al niet aan het moederschap. Het wetenschappelijk ethos van cum laude gepromoveerde vrouwen met kinderen is hoog en hun ambities zijn niet lager dan die van wetenschappers die geen kinderen hebben.

Wat ik echter tamelijk onthullend vond in het onderzoek van Brouns en Van den Brink waren de taartdiagrammen met het aantal gewerkte uren per week. Daaruit blijkt dat geen van de vrouwen meer dan zestig uur per week werkt, tegenover zo’n 20 procent van de mannen die zegt dat wel te doen. Het is logisch om een samenhang te veronderstellen tussen het gewerkte aantal uren en het functieniveau: hoe meer uren, des te hoger het niveau en andersom.

Overigens blijft ook na correctie voor het aantal gewerkte uren een sekseverschil bestaan: cum laude gepromoveerde vrouwen die 40 tot 60 uur per week werken, hebben gemiddeld genomen een iets lager functieniveau dan cum laude gepromoveerde mannen die hetzelfde aantal uren werken.

In de Verenigde Staten is vorig jaar een rapport gepubliceerd over de ondervertegenwoordiging van vrouwen in de wetenschap: Beyond Bias and Barriers: Fulfilling the Potential of Women in Academic Science and Engineering. Het rapport is een reactie op uitspraken van Harvard-decaan Lawrence Summers in januari 2005, die opperde dat vrouwen de aanleg missen om succesvol te zijn in de wetenschap. Een jaar later moest Summers het veld ruimen.

Volgens de opstellers van het rapport is de ondervertegenwoordiging van vrouwen in de wetenschap te wijten aan een onbewuste maar hardnekkige ‘bias’ tegen vrouwen, aan de arbitraire en subjectieve evaluatieprocessen op universiteiten en, last but not least, aan de werkomgeving waarin iemand die thuis de ondersteuning mist van een ‘vrouw’ gelijk op achterstand staat.

In The New York Times van 11 augustus stond een artikel over carrièrevrouwen die een ‘vrouw’ thuis missen. Eigenlijk gaat het meer om een butler/knecht die je was doet, je huis schoonmaakt, je sociale agenda organiseert, de verjaardagen van familieleden onthoudt, cadeautjes koopt en je koffer inpakt als je op reis moet. Veel bedrijven, en ook universiteiten, gaan ervan uit dat je presteert alsof je zo iemand in huis hebt.

Vrouwen die niet of in kleine deeltijdbanen werken en die al hun tijd en energie steken in het ondersteunen van hun man, verpesten het voor vrouwen die wel een carrière buitenshuis ambiëren. De butler/knecht-vrouw verschaft haar partner immers een concurrentievoordeel op de markt voor topfuncties doordat ze hem in staat stelt meer dan zestig uur per week aan zijn werk te besteden.

Geen wonder ook dat het kabinet, dat voornamelijk uit mannen bestaat die meer dan zestig uur per week werken, „niet wil sturen op een herverdeling van de zorgtaken tussen mannen en vrouwen thuis”. Heus, aan de bijenkoningin ligt het niet dat vrouwen de top niet bereiken.