‘Databank Schengen rammelt aan vele kanten’

De Europese databank SIS raakt steeds voller met gegevens voor persooncontroles. Maar de betrouwbaarheid van die data en de rechtsbescherming van de betrokkenen vertoont grote gebreken, zegt Evelien Brouwer.

Het had niet veel gescheeld of de Keniaanse theoloog David Ndegwah had zijn promotie aan de Radboud Universiteit Nijmegen jammerlijk gemist. De ambassade in Nairobi weigerde hem een visum, omdat hij geregistreerd stond in het Schengen Informatie Systeem (SIS, zie inzet).

Ndegwah was zich van geen kwaad bewust en het kostte enorm veel moeite de herkomst en de reden van zijn signalering te achterhalen. Louter door stom toeval kwam men erachter dat Ndewah zich eerder, bij zijn terugkeer naar Kenia, niet correct had afgemeld bij de Immigratie- en Naturalisatie Dienst (IND). Daardoor was hij aangemerkt als iemand die zich onttrekt aan het vreemdelingentoezicht en in de SIS-databank beland. Gevolg: hij mocht Europa ten minste drie jaar niet meer in.

Ndegwah’s advocaat wist de IND ervan te overtuigen dat de sanctie buiten proportie was. Zijn registratie werd ongedaan gemaakt en op de valreep bemachtigde hij alsnog een visum. Nog net op tijd arriveerde hij in Nijmegen om zijn doctorstitel te behalen.

De Amersfoortse juriste Evelien Brouwer onthulde deze bizarre casus begin deze week tijdens haar eigen promotie aan dezelfde universiteit. Zij verdiepte zich in het SIS en onderzocht de gevolgen voor niet-EU-onderdanen. Haar conclusie: het SIS rammelt aan vele kanten.

„De criteria voor registraties in het SIS zijn weinig transparant, de kwaliteit en betrouwbaarheid van de opgeslagen informatie is onder de maat en de rechtsbescherming vertoont onrustbarende lacunes”, zegt Brouwer, nu werkzaam aan de Universiteit Utrecht, in een toelichting op haar onderzoek*, dat zij toespitste op Duitsland, Frankrijk en Nederland.

De ratio achter het SIS is eenvoudig: als de binnengrenzen in Europa verdwijnen, moeten de landen wel van elkaar weten wie ze ‘boeven’ danwel ‘ongewenste vreemdelingen’ vinden. Die gegevens zijn in het SIS gezet, dat kan worden geraadpleegd door politie, justitie, grensbewakers en ambassades.

In de komende jaren wordt het SIS flink uitgebreid, niet alleen omdat steeds meer landen gaan meedoen, maar ook doordat er steeds meer verschillende gegevens in zullen worden gestopt.

Tegenwoordig vormen ‘ongewenste’ vreemdelingen of derdelanders de bulk. Op dit moment staan er circa 750.000 geregisteerd. Dit aantal zal vanaf 2008 alleen nog maar toenemen, wanneer acht Oost-Europese landen, Malta en Zwitserland het SIS zullen gaan gebruiken.

SIS is niet de enige databank met gegevens van derdelanders. Sinds 2003 is het Eurodac operationeel, een gegevensbestand met vingerafdrukken van asielzoekers. Eurodac is bedoeld om vast te stellen welke staat voor een asielverzoek verantwoordelijk is. Tenslotte werken de EU-landen nog aan het Visum Informatie Systeem (VIS). Daarin zitten de gegevens (ook biometrische) van derdelanders die een EU-land willen bezoeken.

„Europa bouwt aan een grootschalig informatienetwerk dat stoelt op een heilig geloof in de effectiviteit en de kwaliteit van de verzamelde data. Dat is nogal naïef. De risico’s van onjuiste gegevensopslag worden juist steeds groter”, concludeert Brouwer.

Over opname in het SIS beslissen de nationale autoriteiten. De maatstaven verschillen per land. In Nederland kan een klein vergrijp of zelfs een verdenking van een strafbaar feit al leiden tot signalering in het SIS. De deelnemende landen erkennen wederzijds elkaars besluiten om derdelanders te weigeren. Zo komt de vreemdeling die Duitsland in het SIS heeft laten registreren, ook andere Schengenlanden (legaal) niet meer in.

Hier zit volgens Brouwer een weeffout. „De nationale overheden hebben veel te veel ruimte voor oneigenlijk gebruik, verboden discriminatie en willekeur”, concludeert zij. Het zou beter zijn wanneer ze dezelfde criteria hanteren.

Een ander manco van het SIS, zegt Brouwer, is dat betrokkenen niet worden geïnformeerd. Vaak weten ze niet eens dat ze in het SIS zitten. En als ze het wel weten, ontbreken dikwijls de effectieve procedures om de registratie aan te vechten. „Dat staat”, aldus Brouwer, „op gespannen voet met het in Europa erkende recht op effectieve rechtsbescherming.”

Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in Straatsburg heeft een en andermaal de noodzaak van onafhankelijke controle op de bescherming van privacy rond databanken beklemtoond, mede ter voorkoming van machtsmisbruik. Maar volgens Brouwer hebben met name de dataprotectie-autoriteiten in Frankrijk en Nederland te weinig mensen en geld om hun werk goed te doen.

Ten slotte ging Brouwer de juistheid en rechtmatigheid van de SIS-gegevens na. In Nederland is daar nauwelijks onderzoek naar gedaan, maar de situatie in Duitsland en Frankrijk biedt volgens haar „een verontrustend beeld”. Zo bleek in Duitsland 20 procent van de onderzochte registraties uit 2004 gebaseerd op een onjuiste rechtsgrondslag. In Frankrijk lag dat voor de jaren 2003 tot 2005 bijna op het dubbele percentage.

Op grond van haar bevindingen, zegt Brouwer, is er weinig aanleiding te vertrouwen op goede bedoelingen en politieke terughoudendheid van overheden. „Rechterlijke moed, goed geïnformeerde rechthulpverleners en krachtige toezichthouders zijn onontbeerlijk om het gebruik van databanken als het SIS in het gareel te houden.”

* E.R. Brouwer – Digital Borders and Real Rights. (Nijmegen 2007)