Darfur als een Gordiaanse knoop

In ‘Not On Our Watch’ doet acteur Don Cheadle uit de film Hotel Rwanda een dringende oproep om krachtiger in te grijpen in Darfur. Hoe ingewikkeld dat is, blijkt uit drie recente studies over het conflict.

M.W. Daly: Darfur’s Sorrow. A History of Destruction and Genocide. Cambridge University Press, 368 blz. € 22,90

Douglas H. Johnson: The Root Causes of Sudan’s Civil Wars. Herziene editie, Int. Africa Institute, 234 blz. € 18,70

S.Totten en E. Markusen (red.):Genocide in Darfur. Investigating the Atrocities in Sudan. Routledge, 284 blz. € 32,99

Don Cheadle en John Prendergast: Not On Our Watch. The Mission to End Genocide in Darfur and beyond . Hyperion Books, 252 blz., € 13,99

Tien vredesmilitairen van de Afrikaanse Unie werden afgelopen zaterdag gedood bij een aanval op hun basis in het zuiden van Darfur. Het was op dezelfde dag dat een pan-Afrikaanse delegatie onder leiding van aartsbisschop Tutu en oud-president Jimmy Carter voor bemiddeling in de Soedanese hoofdstad Khartoem arriveerde. De AU-legerbasis werd aangevallen en geplunderd, momenteel worden nog vijftig soldaten vermist.

De gebeurtenissen tonen dat Darfur allang geen binnenlands probleem van Soedan meer is. Een oplossing is bovendien dringend nodig; het dodental, lang geschat op 200.000, bedraagt inmiddels eerder 400.000, naar schatting sterven in de vluchtelingenkampen zo’n 10.000 mensen per maand. Een derde van de bevolking is op drift. Wel lijkt er serieuze actie te komen: in juni besloot de Veiligheidsraad een vredesmacht van 26.000 man onder gezag van de VN en de Afrikaanse Unie naar het gebied te sturen. Maar deze missie heeft een zeer beperkt mandaat.

Het boek Not On Our Watch van acteur Don Cheadle, hoofdrolspeler van de film Hotel Rwanda, en mensenrechtenactivist John Prendergast is een emotionele oproep tot sneller en krachtiger optreden. Het is een oproep, geen analyse: het ontleent zijn kracht aan de gruwelverhalen van overlevenden, verhalen over kinderen die van de rug van hun moeder worden getrokken en in stukken gehakt, over vrouwen die bij het zoeken naar brandhout door Janjaweed worden verkracht, over levend verbrande dorpsgenoten.

Zulke verhalen kunnen individuen en regeringen tot actie aanzetten; maar effectief ingrijpen vereist ook inzicht in de achtergronden van het conflict. Recente studies door M.W. Daly en Douglas Johnson, beiden gerenommeerde Soedan-historici, helpen daarbij. De belangrijkste misvatting over Darfur is in hun ogen oversimplificatie: het afschilderen van het conflict als een botsing tussen Arabisch-islamitische Janjaweed en animistische Afrikaanse dorpsbewoners. Vrijwel de gehele bevolking van Darfur is immers moslim, de daders zijn niet of nauwelijks Arabischer dan hun slachtoffers.

Ook de islam is geen diepe oorzaak van het conflict. Integendeel, Daly en Johnson geven je de indruk dat Darfur juist het falen van de islamitische revolutie in Soedan weerspiegelt. De bevolking van Darfur behoorde namelijk tot de meest loyale achterban van de islamisten: in de jaren tachtig voegden vele jongeren zich bij de door ideoloog Hasan al-Turabi geleide Moslimbroederschap, die in 1989 de macht zou grijpen. In de jaren negentig bleek echter dat Turabi’s regime de bevolking van Darfur en andere provincies juist marginaliseerde. Toen Turabi in 1999 door zijn rivaal Omar Hasan al-Bashir werd verdreven, brak de laatste band tussen de bevolking van Darfur en de regering.

Verpaupering

Daly traceert deze politieke ontwikkelingen nauwgezet, en met oog voor de toenemende verpaupering van Darfur. Het huidige conflict heeft volgens hem zijn wortels in economische onderontwikkeling en in het verval van traditionele tribale bemiddelingsmechanismen onder koloniaal bestuur. Johnson gaat analytischer te werk dan Daly; hij zoekt de achtergronden van het conflict in een op uitbuiting en uitsluiting gebaseerde staatstraditie die zich sinds de Egyptische bezetting van Soedan in de vroege 19de eeuw heeft gevormd. Volgens Daly staat Darfur dan ook niet los van de eerdere burgeroorlog die eerder in het zuiden van Soedan woedde, met steeds nieuwe conflictzones en steeds onduidelijker oorlogsdoelen.

In de jaren tachtig ontstonden nieuwe lokale conflicten in Darfur, tegen de achtergrond van hongersnood, de burgeroorlog in het zuiden en de oorlog tussen buurlanden Libië en Tsjaad. Het was echter niet de toenmalige Soedanese regering, maar eerder de Libische leider Gadaffi die paramilitaire groepen bewapende en een militante pan-Arabische ideologie in Darfur aanwakkerde. Pas in de jaren negentig raakte de Soedanese overheid direct bij lokale conflicten betrokken, toen Turabi’s regime de provincie opdeelde. Ook steunde Turabi de vorming van de paramilitaire Janjaweed, die niet alleen straffeloos konden opereren maar zelfs werden aangemoedigd. In reactie op deze arabiseringspolitiek raakte de bevolking van Darfur sterker dan voorheen geafrikaniseerd; en in 2002 brak een grootschalige gewapende rebellie in de provincie uit.

Is Darfur dan een teken van, of fase in, de naderende desintegratie van Soedan? Elders zouden regimes door zo’n conflict met hun eigen achterban al gauw ten val komen; maar Soedan fungeert nu eenmaal op een andere manier dan de meeste andere staten. Dat blijkt ook uit de destructieve economische dimensie van het conflict. Het is geen strijd om schaars water en voedsel: in de dorpen van Darfur werden de voedselvoorraden niet in beslag genomen maar verbrand, en er werden lijken in de schaarse waterputten gegooid om het water ondrinkbaar te maken. Volgens Johnson is deze tactiek van de verschroeide aarde een centraal oorlogsdoel van de regering. Ook humanitaire hulp wordt tot een politiek instrument gemaakt – hulp loopt via Khartoem –, en dreigt zo de bestaande regionale ongelijkheid en uitsluiting juist te bestendigen.

Noodklok

Internationale actie lijkt dus essentieel, maar zal uiterst moeilijk zijn. Achter praktische vragen over aantallen en tijdstip van zo’n missie, en over eventuele Nederlandse deelname, ligt echter een veel pijnlijker kwestie: waarom is er niet veel eerder ingegrepen? De omvang van de ramp kwam immers al begin 2004 aan het licht, toen grote aantallen vluchtelingen in Tsjaad begonnen te arriveren. Al spoedig luidden humanitaire organisaties de noodklok, en in september 2004 merkte de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken Powell de situatie in Darfur zelfs aan als ‘genocide.’

Die Amerikaanse uitspraak, precies tien jaar na Rwanda, had een historisch precedent kunnen scheppen; het internationaal recht verplicht immers tot ingrijpen als er van volkerenmoord sprake is. Sinds 2004 is er echter hoegenaamd niets gebeurd. De Amerikaanse genocide-onderzoekers Totten en Markusen stellen in de bundel Genocide in Darfur de vraag waarom. Die bijdragen maken pijnlijk duidelijk dat de internationale verdragen tegen volkerenmoord wel hoge idealen formuleren, maar in geen enkel concreet mechanisme voorzien om die in daden om te zetten.

Een belangrijke oorzaak van deze internationale passiviteit was onenigheid over het g-woord. Powell baseerde zijn oordeel vooral op het werk van een speciaal in het leven geroepen Darfur Atrocities Documentation Team (ADT), dat interviews met ruim 1200 vluchtelingen had gehouden. Een VN-commissie kwam begin 2005 echter met een rapport dat concludeerde dat er van genocide geen sprake was en dat zo krachtiger VN-optreden de pas afsneed.

Maar de Verenigde Staten zelf verbonden evenmin daden aan hun woorden. Dat kwam vooral doordat Soedan sinds 11 september 2001 een belangrijke bondgenoot was geworden in de Amerikaanse strijd tegen het islamitisch terrorisme. Verder blokkeerden Rusland en met name China effectieve sancties tegen Soedan in de Veiligheidsraad. De VN lieten de oplossing van de problemen in Darfur vooral over aan de Afrikaanse Unie, maar die ontbrak het aan de diplomatieke en militaire middelen om de situatie te verbeteren.

Er was nog een reden voor de terughoudendheid van de internationale gemeenschap: angst om het eindelijk op gang gekomen vredesproces tussen Khartoem en het zuiden te verstoren. Door deze angst kon Bashirs regime ongestraft voedselhulp aan de regio dwarsbomen en internationale druk negeren om de Janjaweed te ontwapenen. Net zo ongestraft kon het vervolgens de implementatie van de in januari 2005 met het zuiden gesloten vrede saboteren, omdat de internationale gemeenschap de moeizame vredesbesprekingen over Darfur niet in gevaar wilde brengen. Zo speelt Soedan Amerika en de andere grootmachten behendig tegen elkaar uit. Maar ook door de onderlinge rivaliteit van de rebellengroepen zijn vredesverdragen dikwijls niet meer waard dan het papier waarop ze zijn geschreven.

Constructieve dialoog met het regime heeft in het verleden dus maar zelden gewerkt; maar wat zijn de alternatieven? Een militaire optreden tegen het regime of de Janjaweed is vrijwel uitgesloten. De regio Darfur is even groot als Frankrijk, en heeft vrijwel geen infrastructuur; ook is de internationale publieke opinie nog minder gemobiliseerd voor een militaire interventie dan drie jaar geleden. Een Westerse militaire interventie zou bovendien op enorme weerstand onder Afrikaanse staten stuiten: die zijn allergisch voor alles wat naar neokoloniale ambities zweemt.

Maar er zijn nog andere opties. Uitbreiding van de AU-troepenmacht met VN-troepen staat momenteel al op de agenda; versterking van haar mandaat, zoals met name Cheadle en Prendergast aanbevelen, en het opleggen van effectieve sancties wanneer Khartoem tegenwerkt, is moeilijker, maar haalbaar. Ook internationale druk op Soedans bondgenoten kan opgevoerd worden: China is momenteel gevoeliger dan voorheen voor de internationale publieke opinie, vanwege de naderende Olympische Spelen in Beijing.

Appeasement

Vooralsnog zal een oplossing voor Darfur dus moeten worden gezocht met, niet tegen, het bewind in Khartoem. Dat is geen appeasement, maar misschien de enige werkvorm die momenteel praktisch haalbaar is.

Bijkomende problemen zijn daarbij de ernstige tegenstrijdigheden in de internationale diplomatie: de ene instantie probeert met de regering in Khartoem te onderhandelen, terwijl de andere haar vervolging eist. Zo heeft het Internationale Strafhof een arrestatiebevel uitgevaardigd tegen Ahmed Haroen, die in 2003 en 2004 verantwoordelijk was voor de bewapening van de Janjaweed, en tegenwoordig, als minister van Humanitaire Zaken, het gezag heeft over vluchtelingenkampen en hulpgoederen. Op landelijk niveau is duurzame vrede alleen mogelijk wanneer de centrale regering democratischer en opener wordt voor grotere delen van de bevolking, zoals Johnson aantoont.

Cynisme over de vooruitzichten is verleidelijk. Maar de bevolking van Soedan verdient beter dan steeds nieuwe cycli van uitsluiting en escalerend geweld. Door openlijk over hun lotgevallen te praten ontwikkelen de vluchtelingen van Darfur ondanks de gruwelen die ze doorstonden, een nieuw politiek bewustzijn, en nemen ze zelf initiatieven voor onderwijs en medische zorg. Toen Paul Rusesabagina (de Rwandese hotelmanager op wie Cheadles rol in Hotel Rwanda is gebaseerd) in een vluchtelingenkamp arriveerde, verwelkomden de Darfuri’s hem niet met de roep om voedsel, bescherming of wraak. In plaats daarvan vroegen ze om scholen.