‘Code’, en dan anders

Emilio Calderón: De kaart van God. Vertaald door Tineke Hillegers-Zijlmans en Frieda Kleinjan-van Braam. Mouria,303 blz, € 18,90

Emilio Calderón: De kaart van God. Vertaald door Tineke Hillegers-Zijlmans en Frieda Kleinjan-van Braam. Mouria,303 blz, € 18,90

Op de wereldboekenmarkt voor esoterisch-bibliofiele thrillers is Spanje, met auteurs als Julia Navarro, Javier Sierra en uiteraard Carlos Ruíz Zafón, uitgegroeid tot een belangrijke exportnatie. Ogenschijnlijk valt ook De kaart van God, het debuut van de al niet meer zo piepjonge Emilio Calderón (1960) in die categorie. Er is sprake van een geheime landkaart die ooit door de Schepper zelf zou zijn uitgetekend. Omdat daarop de belangrijkste spirituele krachtcentra van de wereld zijn aangegeven, wordt er jacht op gemaakt door het nazibewind (de roman speelt tijdens de Spaanse Burgeroorlog en WOII) – in de persoon van Heinrich Himmler, die niet in zijn eerste esoterische bevlieging was gestikt. De heilige graal, de lans die Christus’ zijde doorboorde, Assassijnen, kathaarse geheimen en mysterieuze ridderordes: allemaal komen ze in dit boek voorbij. Maar in tegenstelling tot het genre ‘Da Vinci Code’ worden ze door de schrijver – en zijn hoofdpersoon – nooit geheel serieus genomen, noch wordt de lezer geacht dat te doen. Uiteindelijk is De kaart van God een vaardig geschreven spionagethriller die de spanning er goed inhoudt – en niet meer pretendeert te zijn dan dát.

Hoofdpersoon is de jonge architect José María Hurtado die tijdens zijn verblijf aan de Spaanse Academie in Rome in 1937 bij toeval betrokken raakt in een ingewikkeld complot om de leiders van nazi-Duitsland in verwarring te brengen en zelfs te liquideren. Hij laat zich daarin graag meeslepen omwille van de mooie Montserrat (Montse), academie-bibliothecaresse, die zich al snel tot een volleerd intrigante, dubbelspionne en zelfs partizane ontwikkelt.

Met flair, zij het niet zonder stereotypen, beschrijft Calderón de sfeer onder de Spaanse ballingen in de Academie, die hun land door ‘rode horden’ naar de ratsmodee geholpen zien, en de steeds nijpender wordende oorlogsjaren in het Rome van WOII. Bijzonder is het boek vooral wegens het portret van Montse, dat nooit geheel de ambiguïteit en raadselachtigheid verliest waarin Hurtado zich uiteindelijk ook zelf door haar om de tuin geleid weet. Hoewel het tussen hen tot een vrijage, zelfs een huwelijk komt, bereidt Calderón de lezer niet het in dit genre gebruikelijke happy end. De liefde blijft even onvolmaakt als het leven zelf: een bijzonderheid in dit genre, dat gewoonlijk niet uitblinkt in realisme.