Aan het eind van de gang

Alle goede boeken gaan over geheimen. Waarom is ‘het geheim’ dan toch een geslaagd thema voor de Kinderboekenweek?

Een enorm huis, vol verscholen gangen en plots opduikende deuren die toegang bieden tot kamers met verrassende uitzichten. Zo ongeveer prees W.F. Hermans ooit de Franse literatuur, maar elk goed boek biedt natuurlijk een speurtocht vol onthullingen: een lang verborgen emotie die plotseling doorbreekt, een flits van inzicht in een duisternis van onwetendheid, een raadsel dat bij het uitpluizen steeds groter wordt.

Geheimen zijn dit jaar het thema van de Kinderboekenweek. Arnon Grunberg noemde de ‘maand van het spannende boek’ ooit flauwekul omdat elk boek zo spannend hoort te zijn dat elke gelezen pagina je doet verlangen naar de volgende. Zo kun je nu betogen dat het onzinnig is om ‘het geheim’ te belichten als elk boek in wezen bladzij na bladzij geheimen prijsgeeft.

Toch is het een goed idee om de schijnwerper te richten op het verborgene in het kinderboek. Omdat de markt de laatste jaren wordt overspoeld met kinderboeken die volledig draaien om het onthullen van geheimen. Omdat kinderboeken en geheimen al heel lang een verbond met elkaar hebben.

Boeken vol geheimen zijn de oerboeken van de kinderliteratuur. Oertitel: Het geheim van... Oerelement: een verborgen luik dat toegang geeft tot een onderaardse gang. Oerserie: De Vijf. De ruim vijftig jaar oude reeks van Enid Blyton mag dan wat gedateerd zijn in zijn sekseverhoudingen, de spanning en de sfeer houden de boeken terecht in druk.

Het geheim in De Vijf en vergelijkbare serieboeken is enkelvoudig. Alles draait om het oplossen van een groot raadsel. Zo’n formuleboek is hooguit een geheime deur of een geheime gang, niet een huis vol deuren en gangen. Zulke fantastische huizen bestaan natuurlijk wel in de Nederlandse jeugdliteratuur. Bijvoorbeeld Geheimen van het Wilde Woud (1965) van Tonke Dragt. Op zijn zoektocht door het Wilde Woud ontdekt ridder Tiuri tal van simpele luik-geheimen zoals het gezicht achter het masker van de zwarte ridder en een verborgen ‘weg der verrassing’.

Daarnaast ontdekt hij veel subtielere geheimen, zoals die van de Dwaas die niet helemaal niet zo dwaas blijkt te zijn en van de verleidelijke jonkvrouw Isadoro die zich ontpopt als vijand én bondgenoot. Dit zijn de geheimen die leren dat weinig is wat het lijkt, die zich niet makkelijk laten doorgronden en die beklijven doordat ze raken aan de kernzaken van het bestaan: waarachtigheid, liefde en loyaliteit. Het zijn geheimen die een boek tot een huis maken.

Wie nu het aanbod van kinder- en jeugdboeken bekijkt, ziet globaal dit: veel hyperrealistische boeken vol hedendaagse problemen (Oomen, Slee) naast een overdaad aan fantasy (Van Loon, Funke). De hausse in geheimenboeken is aangewakkerd door het succes van de Harry Potter-reeks. Maar terwijl de boeken van Rowling rijk zijn, vertonen veel andere hedendaagse geheimenboeken een opmerkelijke armoede.

Neem Het Zwarte Geheimenboek (Querido, € 14,95) van de Britse Fiona Higgins, dat onlangs is verschenen. In deze quasihistorische roman bevrijdt een raadselachtige reiziger dorpelingen van hun ondraaglijke geheimen door deze op te schrijven in een zwart boek. De geheimen zijn in hun gruwelijkheid helaas vlak. Ze bewerkstelligen niets bij de jeugdige hoofdpersoon, het hulpje van de verzamelaar, en daardoor niets bij de lezer.

Kinderen proberen bij het opgroeien de codes van het leven te kraken, de geheimen van de volwassenheid te ontraadselen. Wie een boek schrijft over geheimen moet iets doen met dit speurwerk van kinderen in hun dagelijks leven. In Oorlogsgeheimen (Unieboek, € 12,95) doet Jacques Vriens dit heel verdienstelijk. Zijn 12-jarige hoofdpersoon doet zijn best om informatie te krijgen over verstopte piloten en een ondergedoken buurmeisje: volwassen zijn is geheimen kennen.

Doordat de jongen snel zijn zin krijgt, draait het boek vooral om het bewaren van geheimen. Ook dat geeft spanning in een kinderleven, van het kind dat moet verzwijgen dat Sinterklaas niet bestaat tot Jan Klaassen die zijn jonge publiek vraagt zijn verstopplaats niet bekend te maken. In Oorlogsgeheimen ebt de spanning over het geheimhouden helaas snel weg.

In Een kleine kans (Querido, € 12,50), waarvoor Marjolijn Hof dinsdag de Gouden Griffel kreeg, loopt deze spanning hoog op. Het meisje Kiek is zo bang dat haar vader niet terugkeert uit een oorlogsgebied, dat ze haar toevlucht neemt tot kansberekening: hoeveel meisjes zijn er met een dode muis én een dode hond én een dode vader? Precies! Haar muizen sterven, haar hond bijna ook en het geheim houden daarvan maakt haar bijna ziek. Haar magisch denken is een mooi voorbeeld van hoe een kind de wereld van de volwassene verkeerd decodeert.

Kinderen zijn namelijk onhandige detectives in hun eigen leven. Dat geldt zeker voor de hoofdpersoon van De 1001 geheimen van Eva Zout, van Judith Eiselin (Querido, € 13,50). Op het eerste gezicht is dit een klassiek geheimenboek: een meisje dat detective speelt, geheimschrift, een genootschap. Maar de tienjarige Eva is een bijzondere detective, die alles in haar leven door haar vergrootglas ziet. Ze kijkt en kijkt en kijkt, en als vanzelf ontstaan overal geheimen. Een buurman achter het raam met een plastic zak vol plas, vader die een vrouw omhelst – betekenen die dingen iets?

Zo krijgt alles een dubbelzinnige lading, krijgt het dagelijks leven de glans van het geheim. Eva Zout is niet alleen een huis met vele deuren en gangen, het is vooral een huis waar de verbeelding een oneindige hoeveelheid kamers schept.