Waakt Big Brother over de kinderen?

De Kamer heeft kritiek op het Elektronisch Kind Dossier.

Want welke informatie zal in het dossier worden opgeslagen en wie krijgt er toegang toe?

Een meerderheid in de Tweede Kamer wil dat minister Rouvoet (Jeugd en Gezin, CU) het Elektronisch Kind Dossier toegankelijk maakt voor veel meer beroepsbeoefenaren dan alleen jeugdartsen en -verpleegkundigen van de jeugdgezondheidszorg. Rouvoet verzet zich daar tegen omdat dat botst met het medisch beroepsgeheim.

Medewerkers van bureaus jeugdzorg bijvoorbeeld mogen geen inzage krijgen in het medische kinddossier omdat zij geen dokter of verpleegkundige zijn. Hetzelfde geldt voor veel personeel van de geestelijke gezondheidszorg en (school)maatschappelijk werkers.

Vanaf 2009 moet de jeugdgezondheidszorg verplicht van ieder nieuwgeboren kind een elektronisch dossier (EKD) aanleggen. Deze digitale opslag van informatie moet het makkelijker maken om probleemkinderen op te sporen en tijdig te helpen. De verschillende instanties in de jeugdhulpverlening zouden dan minder langs elkaar heen werken. Daardoor zou het aantal van 100.000 kindermishandelingen per jaar verminderd kunnen worden.

Het is een telkens terugkerende vraag: welke informatie zal in het dossier worden opgeslagen en wie krijgt er toegang toe? De gemeente Rotterdam wacht niet op antwoorden uit Den Haag, noch op de ontwikkeling van een landelijk kinddossier die weer vertraging heeft opgelopen. Zij is zelf aan de slag gegaan met een eigen EKD. De stad spoort nu al actief risicokinderen op en loopt eigenzinnig voor de troepen uit. Veel politici zijn gecharmeerd van die voortvarendheid en zien de stad als voorbeeld voor de rest van het land.

In Rotterdam worden niet alleen medische gegevens van kinderen in de computer gestopt, maar ook psychosociale informatie van het kind én zijn omgeving. De gemeente kent op dit moment 5.130 kinderen met een „hoog risico” op problemen. Die zijn recent in beeld gekomen toen hulpverleners honderdduizenden papieren dossiers doornamen. Deze kwetsbare kinderen zijn met spoed ingevoerd in het lokale EKD en krijgen nu speciale aandacht.

De hulpverleners werken in Rotterdam met een medisch-psychosociale checklist om van alle kinderen een risicoanalyse te maken. Zo zijn er vier groepen kinderen, variërend van kinderen ‘zonder risico’ tot een categorie kinderen met ‘hoog risico’.

Wanneer loopt een kind een hoog risico op ontwikkelingsproblemen? Volgens de Rotterdamse hulpverleners als zij signalen opvangen over mogelijke kindermishandeling of over huiselijk geweld tussen de ouders onderling. Ernstige gezinsproblematiek in het algemeen is een reden om een kind in de categorie „hoog risico” onder te brengen. Voor zelfmoordgedachten, emotionele problemen, jeugdprostitutie of zwerfgedrag geldt hetzelfde. Net zoals de kans op eerwraak of genitale verminking. Signalen daarover moeten jeugdgezondheidszorg hulpverleners van het consultatiebureau, de Gemeentelijke Gezondheids Dienst (GGD) en straks de Centra voor Jeugd en Gezin, opvangen in hun gesprekken met ouders en kinderen.

Een elektronische risicoanalyse van alle jonge kinderen is nodig, vinden ook Haagse beleidsmakers, omdat nu nog te vaak het accent ligt op de privacy en de belangen van ouders. In de Tweede Kamer verzet alleen D66 zich fel tegen het bevolkingsbreed verzamelen van kindgegevens. „Het gaat met 95 procent van de kinderen in Nederland goed. De resterende vijf procent kennen we, laten we dáár onze aandacht op richten”, zei D66-Kamerlid Koser Kaya.

Grote verwarring bestond er gisteren over het soort gegevens dat opgeslagen gaat worden. Minister Rouvoet spreekt van een medisch kinddossier. Veel partijen willen ook niet-medische gegevens over het kind en zijn omgeving digitaal vastleggen.

Rouvoet vat het begrip medisch zelf heel breed op. Hij verstaat er niet alleen gegevens onder over gewicht, lengte en ziektes van kinderen. „Ook informatie over de psychosociale en cognitieve ontwikkeling van het kind is van belang”, zei hij. Hij benadrukt dat het opslaan van gegevens helemaal niet nieuw is. Consultatiebureaus houden al lang medische gegevens bij, alleen is dat op papier.

Marianne Donker, directeur van de GGD Rotterdam-Rijnmond zegt dat er wel degelijk iets nieuws aan de gang is. „Er zijn twee nieuwe ambities bijgekomen.” De blik is niet meer alleen gericht op het kind maar hulpverleners willen nu ook zicht krijgen op het gezin. Daarnaast wordt er veel meer afstemming tussen organisaties vereist omdat die vaak het verwijt krijgen dat ze langs elkaar heen werken. Donker: „Als een kind weken niet op school komt, moet die kennis opgeslagen en gedeeld worden.”

D66-Kamerlid Koser Kaya krijgt van die ambities „een onaangenaam gevoel”, zei zij gisteren in de Kamer. „Ik hoor dat ouders wordt gevraagd of zij zwemmen, wat hun levensovertuiging is en hun hobby’s zijn, of moeder bij haar partner woont. Wat heeft dat met de gezondheid van het kind te maken?”

PvdA-Kamerlid Boutchibti verdedigde zich: „Het lijkt alsof mijn partij wil dat iedereen in het kinddossier kan graaien maar het gaat mij om de beschikbaarheid van relevante informatie, die hoeft niet altijd medisch te zijn. Het gaat om een betere samenwerking tussen hulpverleners.” Waarom een landelijk register opzetten als daar een paar hulpverleners in mogen kijken?, vroeg zij zich af.

Rouvoet antwoordde dat er wel degelijk mogelijkheden zijn om informatie over kinderen uit te wisselen, ook met medewekers van bijvoorbeeld jeugdzorg. Maar dat kan alleen mondeling. Daarom eist hij ook dat in elk op te richten Centrum voor Jeugd en Gezin waarin het consultatiebureau en de GGD zij aan zij werken, ook iemand van bureau jeugdzorg zit. De arts of verpleegkundige moet beoordelen of, en welke kindgegevens hij tijdens regulier overleg doorspeelt.