Varkens krijgen meer aandacht

Vandaag is het Dierendag, precies tien jaar geleden werd ‘Varkens in Nood’ opgericht.

Anno 2007 is er weinig verbeterd voor de beesten.

„Natuurlijk had Marx gelijk”, concludeert schrijver J.J. Voskuil met een beminnelijke glimlach, na een uur lang te hebben uitgeweid over de Nederlandse voedselproductie. „De cultuur is het product van de economie, en helaas onze ethiek ook.”

Vandaag precies tien jaar geleden, ook op Dierendag maar dan in 1997, plaatste hij een advertentie van twee pagina’s in een reeks landelijke dagbladen waarin hij, met achtduizend medestanders, de regering opriep tot het verbieden van de bio-industrie en schadeloosstellen van de boeren. Voskuil nam een eenmalig initiatief, maar uit zijn actie kwam wel de stichting Varkens in Nood voort.

Nu, tien jaar later, concludeert de huidige voorzitter van Varkens in Nood, Hans Baaij dat er concreet niets is bereikt, in die zin dat de bio-industrie nog steeds bestaat. Maar met de komst van de Partij voor de Dieren en een burgerinitiatief tegen bio-industrie is er wellicht iets meer aandacht voor het lot van dieren.

Tien jaar geleden was het anders. Het was de tijd van de varkenspest en de zogeheten ‘ruimingen’ van varkens. „Ik kreeg de beelden niet meer uit m’n hoofd”, vertelt Voskuil in zijn woonkamer in Amsterdam. „Varkens werden een vrachtwagen ingejaagd en geëlektrocuteerd.”

Dergelijke beelden mogen op het netvlies gebrand blijven staan, maar is er ook iets fundamenteel mis met de wijze waarop de varkenshouderij werkt? Ja, zegt schrijver Koos van Zomeren die in de herfst van ‘97 de fakkel van Voskuil overnam. „Het probleem is de omgang met dieren op basis van puur economische uitgangspunten, waarbij de belangen van het dier volledig ondergeschikt worden gemaakt aan het bedrijfsresultaat. Hun leven komt op geen enkele manier meer tegemoet aan hun natuurlijke verlangens.” Wij zijn daar allemaal voor verantwoordelijk, benadrukt Voskuil, en vandaar dat zijn eisenpakket een schadevergoeding aan boeren bevatte.

„Ik heb het zien gebeuren in de jaren vijftig en zestig. Aanvankelijk zag je overal nog zo’n modderpoel met een paar varkens. Dat is verdwenen. De schaalvergroting is door de regering, door ons dus, gestimuleerd, en door de voedingsindustrie en de banken. Boeren zitten nu allemaal vast aan hun schulden.”

„Nederland is een democratie en we doen niet anders dan wat de overheid vraagt”, verdedigt varkenshoudster en Tweede Kamerlid Annie Schreijer-Pierik (CDA) zich, met een verwijzing naar het Varkensbesluit. Daarin staat precies hoeveel ruimte een varken van een bepaald gewicht moet hebben of wat de maten dienen te zijn van het rooster waardoor de mest kan weglopen. „Wie zegt dat een varken het niet goed heeft?”

Op dit punt is er een onoverbrugbare kloof tussen. Wat behaaglijk stro en speeltjes om mee te stoeien – de laatste dierenwelzijnseisen van de overheid – vindt de wetgever genoeg om het leven van een vleesvarken te veraangenamen. Zo’n leven duurt overigens toch niet langer dan een paar maanden.

Voor Van Zomeren is dat niet genoeg. „Boeren die vroeger een varken in een hok achter hun huis hadden waren niet per definitie beter voor hun vee. Maar die beesten leefden niet onder dezelfde productiedwang. Daar zit het verschil.”

Moderne boeren hebben het vetmesten geperfectioneerd. „Mijn varkens lopen in de winter liever binnen op de vloerverwarming dan buiten”, zegt de voorzitter van de varkenshoudersvakbond, Wyno Zwanenburg. „Wilde zwijnen verliezen na de geboorte de helft van hun biggen, wij maar 10 procent. Nergens ter wereld wordt veevoer zo efficiënt omgezet in vlees als in Nederland.”

Zwanenburgs trots op de efficiëntie staat lijnrecht tegenover het morele oordeel van Voskuil. „Boeren zouden kunnen zeggen: ik doe niet mee, ook al zitten ze dan misschien aan de armoedegrens.” Hij zegt ooit een boer te hebben gezocht die expliciet liever minder verdiende dan z’n varkens op te jagen. Maar niet veel boeren zullen daarvoor zijn te porren. „Als we met een paar varkens een leven zouden kunnen hebben…”, zegt Schreijer-Pierik, „maar we zitten met hoge kosten voor veevoer en mestafvoer.”

De stichting Varkens in Nood ijvert nog steeds voor een einde aan de bio-industrie. Liever door bewustwording van consumenten en supermarkten, zegt de huidige voorzitter Hans Baaij, dan door een opgelegd verbod. Maar consumenten beginnen er niet aan, zoals blijkt uit de lage verkoop van biologisch vlees. Baaij zou een convenant willen met supermarkten, maar die wijzen naar Den Haag. „De kern is dat alles stuk loopt op Den Haag.”

Momenteel buigt de Tweede Kamer zich over een burgerinitiatief dat een einde wil aan bio-industrie. De Kamer heeft het initiatief laten onderzoeken door het Milieu- en Natuurplanbureau en het Centraal Planbureau, die concludeerden vorige week dat de kosten voor boeren zouden stijgen en compensatie daarvoor strijdig zou zijn met de regels van de Europese Unie en de wereldhandelsorganisatie WTO.

„Het is treurig dat onze moraal niet beter wordt, zelfs nu we zoveel geld hebben”, concludeert J.J. Voskuil. „Het is zelfs nog erger: des te meer geld mensen hebben, des te meer ze willen. Geld hebben is de pest voor de moraal.”