Varken ‘slachtoffer van onze ethiek’

Een verbod op de bio-industrie. Daartoe riep schrijver J.J. Voskuil precies tien jaar geleden op. De bio-industrie bestaat tien ‘dierendagen’ later nog altijd. „Het is treurig dat onze moraal niet beter wordt.”

„Natuurlijk had Marx gelijk”, concludeert schrijver J.J. Voskuil met een beminnelijke glimlach, na een uur lang te hebben uitgeweid over de Nederlandse voedselproductie. „De cultuur is het product van de economie, en helaas onze ethiek ook.”

Vandaag precies tien jaar geleden, op dierendag in 1997, plaatste hij een advertentie van maar liefst twee pagina’s in de landelijke dagbladen waarin hij, met achtduizend medestanders, de regering opriep tot het verbieden van de bio-industrie en schadeloosstellen van de boeren. Uit de eenmalige actie van Voskuil kwam de stichting Varkens in Nood voort.

Nu, tien jaar later, concludeert de huidige voorzitter van Varkens in Nood, Hans Baaij dat er niets is bereikt, in die zin dat de bio-industrie nog steeds bestaat. Maar met de komst van de Partij voor de Dieren en een burgerinitiatief tegen bio-industrie waarvoor honderdduizend mensen hun handtekening zetten is er wellicht iets meer aandacht voor het lot van dieren.

Tien jaar geleden was het anders. Het was de tijd van de varkenspest en de zogeheten ‘ruimingen’ van varkens. „Ik kreeg de beelden niet meer uit m’n hoofd”, vertelt Voskuil in zijn woonkamer in Amsterdam.

„Varkens werden een vrachtwagen ingejaagd en geëlektrocuteerd. Een zeug draaide zich om en wilde vluchten. Twee mannen waren minutenlang bezig haar alsnog de wagen in te slaan.”

Dergelijke beelden mogen op het netvlies gebrand staan, maar is er ook iets fundamenteel mis met de wijze waarop de varkenshouderij werkt? Ja, zegt schrijver Koos van Zomeren die in de herfst van ’97 de fakkel van Voskuil overnam. „Het probleem is de omgang met dieren op basis van puur economische uitgangspunten, waarbij de belangen van het dier volledig ondergeschikt worden gemaakt aan het bedrijfsresultaat. Hun leven komt op geen enkele manier meer tegemoet aan hun natuurlijke verlangens.” Wij zijn daar allemaal voor verantwoordelijk, benadrukt Voskuil, en vandaar dat zijn eisenpakket een schadevergoeding aan boeren bevatte.

„Ik heb het zien gebeuren in de jaren vijftig en zestig. Aanvankelijk zag je overal nog zo’n modderpoel met een paar varkens. Net als kippen rond een boerderij. Dat is allemaal verdwenen. De schaalvergroting is door de regering, door ons dus, gestimuleerd, en door de voedingsindustrie en de banken. Boeren zitten nu allemaal vast aan hun schulden.”

„Nederland is een democratie en we doen niet anders dan wat de overheid vraagt”, verdedigt varkenshoudster en Tweede Kamerlid Annie Schreijer-Pierik (CDA) zich, met een verwijzing naar het Varkensbesluit. Daarin staat precies hoeveel ruimte een varken moet hebben of wat de maten dienen te zijn van het rooster waardoor de mest kan weglopen. „Wie zegt dat een varken het niet goed heeft?”

Op dit punt is er een onoverbrugbare kloof tussen activisten als Voskuil en Van Zomeren en boeren als Schreijer-Pierik. Wat behaaglijk stro en speeltjes om mee te stoeien – de laatste dierenwelzijnseisen van de overheid – vindt de wetgever genoeg om het leven van een vleesvarken te veraangenamen. Zo’n leven duurt overigens toch niet langer dan een paar maanden.

Voor Van Zomeren is dat niet genoeg. „Boeren die vroeger een varken in een hok achter hun huis hadden waren niet per definitie beter voor hun vee. Maar die beesten leefden niet onder dezelfde productiedwang. Daar zit het verschil.”

Moderne boeren hebben het vetmesten geperfectioneerd. „Mijn varkens lopen in de winter liever binnen op de vloerverwarming dan buiten”, zegt de voorzitter van de varkenshoudersvakbond, Wyno Zwanenburg. „Wilde zwijnen verliezen na de geboorte de helft van hun biggen, wij maar 10 procent. Nergens ter wereld wordt veevoer zo efficiënt omgezet in vlees als in Nederland.”

Zwanenburgs trots op die efficiëntie staat lijnrecht tegenover het morele oordeel van Voskuil. „Boeren zouden kunnen zeggen: ik doe niet mee, ook al zitten ze dan misschien aan de armoedegrens.” Hij zegt ooit een boer te hebben gezocht die expliciet liever minder verdiende dan z’n varkens op te jagen. Maar niet veel boeren zijn daarvoor te porren.

De stichting Varkens in Nood ijvert nog steeds voor een einde van de bio-industrie. Liever door bewustwording van consumenten en supermarkten, zegt de huidige voorzitter Hans Baaij, dan door een opgelegd verbod. Maar consumenten beginnen er niet aan, zoals blijkt uit de lage verkoop van biologisch vlees.

Momenteel buigt de Tweede Kamer zich over een burgerinitiatief dat een einde wil maken aan de bio-industrie. De Kamer heeft het initiatief laten onderzoeken door het Milieu- en Natuurplanbureau en het Centraal Planbureau. Die concludeerden vorige week dat de kosten voor boeren zouden stijgen en compensatie daarvoor strijdig zou zijn met EU-regels en de wereldhandelsorganisatie WTO. „Het is treurig dat onze moraal niet beter wordt, zelfs nu we zoveel geld hebben”, concludeert Voskuil. „Het is zelfs nog erger: des te meer geld mensen hebben, des te meer ze willen. Geld hebben is de pest voor de moraal.”