Sluiproute naar een wetboek

De Europese Commissie wil graag hetzelfde contractenrecht voor alle lidstaten. Dat zou diep ingrijpen in de Nederlandse rechtspraktijk op dit gebied. Let Nederland wel op? „Het is net een spook.”

„Het is erg moeilijk om er tussen te komen”, zegt de stafjurist van de werkgeversvereniging. „Alleen de inhoudsopgave beslaat al twintig kantjes”, zegt de topambtenaar. „Het is net een spook”, zegt de wetenschapper, „als we dit laten gaan zijn we straks te laat. Zelfs de SP verzuimt hier”.

Onder leiding van de Europese Commissie wordt, in de lidstaat Nederland vrijwel onopgemerkt, aan een complex juridisch project gewerkt dat kan uitmonden in een Europees Burgerlijk Wetboek. Vermomd als eenvoudige onderhoudsbeurt voor de Brusselse consumentenrichtlijnen zou de Commissie in werkelijkheid de ambitie van een Europese contractenrecht verwezenlijken.

Dat zou diep kunnen ingrijpen in de manier waarop Nederlandse bedrijven en particulieren conflicten uitvechten over wanprestatie, ontbindingstermijnen en levering van goederen. Terwijl het project zich aanvankelijk zou beperken tot technische kwesties als de bescherming van de consument bij postorderkoop.

Naar schatting vijftien wetenschappers hebben in Nederland de tekst helemaal gelezen. Honderden experts uit de lidstaten geven commentaar via een gesloten website. Uit Duitsland alleen al 36. Uit Nederland exact vier. Eén raadsheer, één bedrijfsjurist, één lobbyist en één jurist van een beroepsgroep. Maar veel inspanning kost het niet. Eén hunner maakte alleen de eerste bijeenkomst mee, een jaar of twee geleden. Een ‘hilarische bijeenkomst’ met 85 advocaten uit 25 lidstaten die samen zestien talen spraken. Hij had genoten, dat wel. Van de chaos. Daarna zakte het snel op zijn prioriteitenlijst.

Ambtenaren die het project kennen, zeggen alleen ‘het proces’ te volgen. Maar vooral niet de inhoud. Die is te ingewikkeld. De topambtenaar in Den Haag schat de tekst op enige honderden pagina’s. „Ongeveer een wetboek”. En even leesbaar. Om één pagina te kunnen begrijpen, schat hij ongeveer een middag studie nodig te hebben. Van uitprinten heeft hij afgezien. In de reguliere Europese agendabrief aan de Kamer omschrijft de minister het als een ‘wetenschappelijk onderzoek dat door de Commissie wordt gesubsidieerd’. Belanghebbende organisaties worden geraadpleegd en de lidstaten worden nog geconsulteerd. Het instemmingsrecht is ‘niet van toepassing’. Het document is voor de Kamer ‘niet beschikbaar’. En ook niet voor de pers.

Maar het bestaat wel. Deze maand zou de tekst worden ‘bevroren’ om dan in januari als ‘concept’ aan de Commissie te kunnen worden gepresenteerd. Diverse Nederlandse rechtenfaculteiten waren betrokken met lucratieve deelopdrachten: Utrecht, Amsterdam, Tilburg en Rotterdam schreven mee. De Commissie zou er in totaal zo’n 10 miljoen euro aan hebben uitgegeven.

In de juridische vakpers is het project vroeg gesignaleerd en gekritiseerd. De consumentenrichtlijnen moesten opgeknapt worden. Ze bleken onderling namelijk niet consistent. Ook was er begripsverwarring. Daarom had de Commissie een nieuwe juridische ‘gereedschapskist’ nodig. Meer een vakwoordenboek, waarin de begrippen en beginselen uit het contractenrecht voor consumenten werden geordend, zo werd gezegd. Onder die condities wilden de lidstaten er wel aan werken. Ondanks waarschuwingen van deskundigen, onder wie hoofddocent Jacobien Rutgers van de Universiteit van Amsterdam, dat er een Europees burgerlijk wetboek uit zou komen.

Die ambities van de Commissie bestaan inderdaad. Nog in april stuurde de regering een nota van het EU-voorzitterschap naar de Kamer. Daarin staat: „Een mogelijkheid zou kunnen zijn het werk van de onderzoekers volledig te benutten en het (...) toe te passen op alle domeinen van het burgerlijk contractenrecht (bijvoorbeeld, in contracten tussen ondernemingen).” Dat is precies wat de Nederlandse experts uit het bedrijfsleven willen voorkomen. Politiek kwam er in Nederland geen reactie.

Het Britse parlement reageerde alerter. Daar werd al in 2005 een grootscheepse hoorzitting georganiseerd met negen getuigen-deskundigen. Dit zal geen louter technische exercitie worden dat een juridisch naslagwerkje oplevert, was de teneur. Als het klaar is, is het geen enkele moeite meer om er een Europese Code Civil van te maken, verwachtte het EU Committee van het House of Lords. En dat moest vooral niet gebeuren. De parlementariërs hoopten dat de Britse regering niet de ‘substantiële politieke betekenis’ van dit project zou onderschatten dat als „something of a Trojan Horse” werd beoordeeld.

Een groep Europese juristen vonden al vroeg dat aan deze aanpak grote risico's kleefden. Het European Law Journal publiceerde in 2004 een bozig manifest van de Study Group on Social Justice, gesteund door UvA-hoogleraar Hesselink. Contracten tussen particulieren zijn wezenlijk voor een rechtvaardige sociale ordening van de samenleving. Dit moet dus een politiek proces worden, geen technisch zo vonden zij. Maar toch lijkt er een voldongen feit te zijn geschapen. Hoe kan dat?

„Als je aan hoogleraren vraagt een lijst van begrippen en principes op te stellen, dan schrijven ze vanzelf een wet”, zegt mr. M. Tj. Bouwes, tot voor kort hoofd sector privaatrecht van het ministerie van Justitie en direct betrokken bij het project. Hij zag hoe het project destijds startte onder aanmoediging van vooral Duitse europarlementariërs. Voor hen was een Europees Burgerlijk Wetboek na vlag en volkslied een belangrijk symbool.

In de juridische wetenschap was het fundament ervoor ook al gelegd. Bouwes legt drie handboeken op tafel: Principles of European Contract Law geheten. De fase van de ‘gereedschapskist’ was dus al voltooid. Het was tijd voor een boek met regels: een wetboek! Bouwes schreef in 2005 een hartekreet in het Nederlands Juristenblad. Strekking: Dit proces is politiek dynamiet, althans behoort het te zijn. Het kan leiden tot een grootscheepse harmonisatie van het Nederlands burgerlijk recht via de achterdeur. Noch de Staten Generaal, noch het bedrijfsleven, noch rechters, advocaten of particulieren hebben het in de gaten.

Bouwes vermoedt dat het concept dat in januari uitkomt, zonder veel ruchtbaarheid in gebruik zal worden genomen. Hij denkt dat Commissie, Parlement en Raad er na een poosje een zogeheten ‘interinstitutioneel akkoord’ over zullen sluiten. Daarbij verplichten de Europese overheden zich allemaal om het concept-handboek als leidraad bij nieuwe richtlijnen te gebruiken. Dan zal ook het Hof van Justitie in Luxemburg de tekst als rechtsbron gebruiken. Waarna ook de hoogste rechtscolleges in de lidstaten niet aan toepassing ontkomen. Zo schrijft het Europese recht zich vanzelf. Niemand heeft grip op dit proces, meent Bouwes. „Wij ambtenaren ook niet.”