Oeroud alchemistisch succes in Azië

Bij alchemistische pogingen om jade te maken fabriceerden de Chinezen meer dan tweeduizend jaar geleden een van de eerste blauwe kleurstoffen. Ze pasten die toe op het terracottaleger in Xian.

Het 2.200 jaar oude terracottaleger in Xian. Chinezen maakten de blauwe en paarse kleurstof daarop zelf. Foto AFP A Chinese paramilitary police officer walks past the famous excavation site of the Terracotta Warriors during a visit by Belgium's Queen Paola and King Albert II in Xian, China, June 8, 2005. King Albert II and Queen Paola are on an eight-day state visit to China. REUTERS/Thierry Roge THR/MK REUTERS

Het Chinese blauw dat het beroemde terracottaleger van de eerste keizer van China kleurde, is niet afgekeken van de Egyptenaren, maar een product van eigen Chinese makelij. Deze synthetische kleurstof is hoogstwaarschijnlijk ontstaan als bijproduct van de alchemistische speurtocht van taoïstische monniken om kunstmatig de edelsteen jade te maken. Onder de taoïsten was jade een symbool van onsterfelijkheid.

Een team van Chinese en Amerikaanse chemici en archeologen ontrafelde de herkomst van de kleurstof met behulp van geavanceerde röntgenanalyse-apparatuur. De ontdekking wordt beschreven in het novembernummer van de Journal of Archaeological Science.

Het gaat hier niet om zomaar een kleurstof. Met het Mayablauw en het stokoude Egyptische blauw is het Chinese blauw (inclusief de variant Chinees paars) een van de drie bekende synthetische kleurstoffen van voor de negentiende eeuw. Het blauw ontstond als een bijproduct van taoïstisch glas, is de conclusie van de chemici. Daarop wijzen chemische analyses, maar ook het feit dat de kleurstof alleen voorkomt in de periode waarin ook dit glas gemaakt wordt: van 500 voor tot 220 na Chr.

Hoe de Chinezen er überhaupt in slaagden BaCuSi2O6-kristallen in bijna pure vorm te maken was een raadsel vanaf het moment dat deze blauwe kleurstof ruim twintig jaar geleden ontdekt was bij onderzoek aan het terracottaleger. Dit bariumkopersilicaat is nooit in de vrije natuur aangetroffen.

Tot nu toe heerste de opvatting dat het Chinese blauw wel afgeleid zou zijn van het Egyptische blauw. En de chemische formule van de Egyptische kleurstof lijkt inderdaad op de Chinese: CaCuSi2O6, dus met calcium in plaats van barium. Het Egyptische blauw was al in gebruik vanaf het derde millennium voor Christus. En contact was denkbaar: vanaf 525 voor Chr. maakte Egypte deel uit van het Perzische Rijk dat tot ver in Centraal Azië reikte. Maar dan ligt het niet voor de hand dat de Chinezen het calcium zouden hebben ingeruild voor barium. Veel voordelen biedt dat niet. Want het Egyptische calciumblauw kan al gemaakt worden bij temperaturen van 800 à 900 graden. Van het Chinese bariumblauw ontstaat pas vanaf 900 graden een paarsige variant en boven 1100 graden de zuivere blauwe kleur. En er is nooit Egyptisch blauw in China gevonden. Reguliere handelscontacten tussen oost en west via de Zijderoute begonnen pas in de tweede eeuw na Chr. terwijl de oudste voorbeelden van Chinees blauw (in de paarsige variant) al rond 500 voor Chr. bestonden.

Om het herkomstprobleem op te lossen is nu een klein brokje kleurstof van een Chinese terracottakrijger gebombardeerd met geavanceerde röntgen-diffractietechnieken, onder meer micro X-ray fluorescence (μXRF) en Scanning Electron Microscopy (SEM) based Energy Dispersive X-ray (EDX) microanalysis. Die analyses brachten onder meer restjes lood aan het licht in het centrum van het pigmentklompje. Dat was in eerdere analyse-pogingen, met eenvoudiger apparatuur, nog niet gezien. In dat lood werden kristallen van voorstadia van het bariumkopersilicaat gevonden. Dit en andere details leidden bij de chemici tot de conclusie dat het Chinese blauw gesynthetiseerd is met behulp van lood, dat als een flux fungeerde, een in de oven toegevoegd ‘papje’ dat het smeltpunt verlaagt, iets dat vaker wordt toegepast bij ertsverwerking en glasfabricage. De flux neemt ook vaak verontreinigingen weg. Het Egyptische calciumblauw werd gemaakt door de vaste stoffen gewoon op te gloeien en in een flux van natrium of kalium – nooit met lood. Lood is dan ook nooit gevonden in Egyptisch blauw, en natrium of kalium nooit in Chinees blauw – weer een argument tegen een herkomst uit Egypte.

Nee, de kenmerkende combinatie van lood en barium in het Chinese blauw leidt naar een heel ander spoor. Want het vroege Chinese glas (vanaf 500 voor Chr.) bevat wèl veel lood en barium. Het lood werd bij het glas maken gebruikt, als verlager van de smelttemperatuur. En het barium werd erbij gemengd om een jade-achtig effect te krijgen. Want veel van dat glas werd gemaakt door taoïstische monniken die als ware alchemisten probeerden om kunstmatig jade te maken. De groene edelsteen jade werd gezien als een magisch materiaal dat het geheim van het eeuwige leven in zich droeg. Barium komt in China vrij veel voor in de mineralen bariet en witheriet. Het relatief grote gewicht van deze mineralen zal zeker de aandacht van de alchemisten getrokken hebben.

Lood, barium – alleen koper is nog nodig voor het het Chinese blauw. Maar dàt werd ook vaak toegevoegd aan het glas, om weer een ander jadeachtig effect in het glas op te roepen, zo was al langer bekend.

Zo kan bij de glasbereiding gemakkelijk bij toeval Chinees blauw worden ontdekt, aldus de chemici en archeologen. Het is de meest waarschijnlijke herkomst.

Het Taoïsme is millennia onderdeel gebleven van de Chinese cultuur, maar het jadeachtige bariumglas en Chinees blauw beleefden tegelijk hun hoogtepunt en ze verdwenen ook ongeveer tegelijkertijd weer uit Chinese cultuur: tussen 500 voor en 200 na Chr. – een laatste aanwijzing voor het nauwe verband tussen de twee. De magie van jade werd dof, en het blauw verdween. Pas nu is het verband weer gelegd.