Liberale pers in Iran slinkt snel

De media in Iran zijn politieke werktuigen. De huidige zeer conservatieve regering heeft huisgehouden onder de liberale pers. ‘Het vereist veel wijsheid om wel gekocht en niet verboden te worden.’

Een journaliste van Press TV, het nieuwe satellietstation van de Iraanse regering. De staatstv en -radio staat onder controle van de Opperste Leider. (Foto Reuters) An employee of PRESS TV, Iran's 24-hour English language satellite news channel, works in the newsroom at its Tehran headquarters July 9, 2007. PRESS TV officials have said the channel would seek to take on established players like CNN and BBC World. REUTERS/Caren Firouz (IRAN) REUTERS

Beneden in het gebouw van de Iraanse krant Hammihan in Teheran zit een eenzame portier, op de tweede verdieping zit een receptioniste, en hoofdredacteur Mohammad Atrianfar heeft er een kamer. Maar verder is het leeg, want Hammihan (Perzisch voor landgenoot) is opnieuw een verschijningsverbod opgelegd. Afgelopen mei mocht de hervormingsgezinde krant na een sluiting van zeven jaar weer uitkomen. Nog geen anderhalve maand later volgde een nieuw verbod. „We hadden 100.000 lezers, intellectuelen werden ons publiek en we kregen invloed. Dat was de belangrijkste reden dat we weer werden verboden”, zegt Atrianfar.

Het huidige hardconservatieve regime van president Ahmadinejad is geen vriend van de vrije pers. De minister van Islamitische Leiding zei na zijn aantreden voorzichtig te zullen zijn met krantensluitingen. „We wisten natuurlijk allemaal wel dat hij een grapje maakte”, zegt Atrianfar zuur. Ook de liberale krant Sharq mocht deze zomer even uitkomen en moest weer dicht; journalisten zijn opgepakt, websites worden gefilterd.

Want de media zijn een belangrijk werktuig in Iran. Hojatoleslam Mohsen Kadivar, een liberale geestelijke die het Iraanse systeem met de Opperste Leider ziet als voortzetting van de vroegere monarchale dictatuur in een religieus jasje, onderstreept het belang van de pers, zeker nu over vijf maanden parlementsverkiezingen worden gehouden. „In Iran is 15 procent van de bevolking klassiek conservatief en wil 15 procent echte hervormingen. De 70 procent daartussenin kan de toekomst veranderen”, zegt hij. „De media kunnen veel effect op hun mening hebben. Kijk maar hoe Mahmoud Ahmadinejad in de aanloop naar de presidentsverkiezingen in 2005 met een maand propaganda op de televisie 17 miljoen kiezers kon verzamelen.”

Op de vergadertafel in de kamer van hoofdredacteur Hossein Shariatmadari van de ultraconservatieve krant Kayhan liggen zo’n veertig verse kranten. Hoeveel daarvan zijn er nog hervormingsgezind? Shariatmadari gaat de titels langs: „23”. Een andere journalist zegt later: „Hij noemt elke krant hervormingsgezind die niet precies even conservatief is als de zijne.”

In het grote Kayhangebouw zijn de oude, Duitse drukpersen en de redacties wel aan het werk. Shariatmadari, die wordt beschouwd als invloedrijke stem aan de allerconservatiefste kant van het regime, bagatelliseert de krantensluitingen. „Dan hebben ze de regels en wetten overtreden”, zegt hij. „Sharq heeft immorele artikelen gepubliceerd. Het is ab-so-luut niet zo”, intoneert hij, „dat de islamitische revolutie de stem van een tegenstander niet kan velen.”

Ook de – weinig effectieve – politie-acties tegen satellietschotels brengt Shariatmadari onder de noemer van de strijd tegen zedeloosheid. „Veel buitenlandse satellietstations zenden corruptie en pornografie uit. Als dat zou worden getolereerd, wat zou dan gebeuren met de studie van de kinderen en de moraal van de natie?”

Een van de weinige echt hervormingsgezinde kranten die nog over zijn, is Etemaad (Vertrouwen). In de kamer van managing director Elyas Hazrati hangt naast het verplichte duo Khomeiny en Khamenei, respectievelijk de oprichter van de islamitische republiek en diens opvolger als Leider, ook de hervormingsgezinde ex-president Mohammad Khatami. Veel hoofdredacteuren in Iran doen geheimzinnig over hun oplage met het oog op de concurrentie, maar komen uiteindelijk wel met een getal dat vervolgens door die concurrentie als hoogst geflatteerd wordt verworpen. Ruim 220.000 eist Shariatmadari op voor zijn krant. „Hij overdrijft”, zegt Hazrati, die voor Etemaad 100.000 verkochte exemplaren claimt.

De grootste kranten zijn Hamshahri en Jam-e-Jam met allebei een oplage van rond de 400.000. Maar dat zijn geen politieke kranten”, zegt Hazrati met een zeker dédain. „Hamshahri wordt voornamelijk om de advertenties gekocht.”

De media in Iran zijn politieke wapens, zowel de staatsomroep – die onder controle staat van de Leider – als de meeste kranten, van Shariatmadari’s Kayhan tot Hazrati’s Etemaad en Etemaad-Melli (Nationaal Vertrouwen) van de hervormingsgezinde ex-parlementsvoorzitter Mehdi Karroubi aan het andere eind van het spectrum. „Etemaad is een van de invloedrijkste kranten”, zegt Hazrati, zelf ex-parlementslid.

„Ons probleem is dat de mensen tegenwoordig alleen kranten kopen als we met harde koppen komen”, vertelt Hazrati. „Tegelijkertijd zitten de rechterlijke macht, de persraad en het ministerie van Islamitische Leiding op je lip en is de economische situatie lastig. Het vereist veel wijsheid om wel gekocht en niet verboden te worden.”

Volgens Atrianfar van het verboden Hammihan vertegenwoordigen de paar hervormingsgezinde kranten niet meer dan 10 procent van de totale oplage en zijn ze niet erg effectief, ook Etemaad niet. „Daarmee is bijna alle propagandaruimte in handen van de regering.”

Hervormer Isa Saharkhiz, uitgever van verboden bladen en al een jaar in afwachting van tenuitvoeringlegging van zijn gevangenisstraf van vier jaar wegens ‘leugens en laster’, moest onder president Khatami kwaliteit en kwantiteit van de pers bewaken en uitbreiden. In Khatami’s tijd, zegt hij, was er nog sprake van een gevecht tussen de regering en de rechterlijke macht over de pers. „Als de rechterlijke macht één krant verbood, gaf de regering twee, drie vergunningen uit voor nieuwe publicaties. Nu is het de regering zelf die de pers belaagt. De vergunningen die nog voor nieuwe bladen worden verleend zijn bedoeld voor heel specifieke uitgaven – een blad voor boeren in de stad Bam, dat soort.”

Saharkhiz wijst erop dat de man die op het ministerie van Islamitische Leiding de pers in zijn portefeuille heeft, afkomstig is uit de Kayhangroep van Shariatmadari – „de vijanden van een vrije pers”. De verbodsmaatregelen leiden allemaal, onderstreept hij, tot vermindering van de belangstelling voor kranten. „In Khatami’s tijd was de totale dagelijkse oplage 3,4 miljoen, waarvan politieke bladen het grootste deel voor hun rekening namen. Nu is de oplage verminderd tot onder de 2 miljoen, hoofdzakelijk voor rekening van sportbladen.”

Maar, aldus Saharkhiz, de regering schiet zichzelf in haar voet. Veel Iraanse journalisten zijn naar het buitenland uitgeweken om aan arrestatie en werkloosheid te ontsnappen. Daar werken ze nu voor websites en radio- en televisiestations die op Iran zijn gericht. Hij noemt onder andere de Britse BBC, die een Perzischtalig tv-station start en de Voice of America – „iedere inwoner van deze stad hoort het VOA-nieuws”. „Als deze journalisten in Iran zouden kunnen werken zouden ze waarschijnlijk een vorm van zelfcensuur uitoefenen; maar in het buitenland gaan ze ongeremd hun gang.”