Kom hier werken! Maar donder wel op

Een jonge medicus uit Singapore wil bij ons in het ziekenhuis komen werken.

De IND denkt daar helaas heel anders over.

In de troonrede geeft onze regering aan het eenvoudiger te willen maken voor talentvolle buitenlanders om in Nederland te komen werken of studeren. Al eerder werd met tevredenheid door bewindslieden uit de kabinetten Balkenende gemeld dat in de toegang van buitenlandse kenniswerkers tot Nederlandse wetenschappelijke instellingen is voorzien.

Dat is mooi, maar de praktijk is geheel anders. Voorjaar 2006 meldt een jonge medicus uit Singapore ons dat hij graag voor drie jaar bij ons wetenschappelijk onderzoek wil doen dat moet uitmonden in een proefschrift. Hij heeft daarvoor een beurs uit Singapore.

Hij wil zijn echtgenote meenemen, ook een wetenschappelijk onderzoeker die hier wil werken. De beursverlener in Singapore stelt dat het project op 22 maart 2007 zou moeten zijn begonnen. Er lijkt ruim de tijd.

Door bureaucratische stroperigheid bij de verstrekking van de tewerkstellingsvergunning (TWV) en foute adresseringen wordt deze datum niet gehaald. Telefoontjes onzerzijds om de zaak te bespoedigen lopen vast op onwillige, autoritaire en soms ronduit onbeschofte ambtenaren. Tijdens het proces om een (voorlopige) verblijfsvergunning te verkrijgen wordt nog weer enige extra vertraging opgelopen door twijfel aan de getrouwde status van het echtpaar.

Maar in juli 2007 lijkt alles geregeld. De man heeft een TWV tot 2009 en de vrouw een status als kenniswerker. De geldgever uit Singapore heeft gelukkig niet afgehaakt. Beiden kunnen zowaar aan de slag.

In augustus krijgt het echtpaar het onjuiste advies van de gemeente Nijmegen om zich te verstaan met de IND te Rijswijk om ‘verblijf bij zijn echtgenote’ mogelijk te maken. Vanaf dat moment krijgt de verblijfsaanvraag kafkaëske proporties.

Onze Singaporese onderzoeker krijgt een grote hoeveelheid in juridisch Nederlands geschreven documentatie, waaruit blijkt dat de aanvraag is afgewezen in gevolge artikel 13 van de vreemdelingenwet, aangezien hij niet kan worden toegelaten op een van de volgende gronden: a. indien internationale verplichtingen daartoe nopen; b. indien met de aanwezigheid van de vreemdeling een wezenlijk belang is gediend; c. indien klemmende redenen van humanitaire aard daartoe nopen.

Men stelt in deze documentatie vervolgens vast, dat hij op 16 juli 2007 in het bezit is tot voorlopig verblijf, met als doel ‘arbeid in loondienst bij het UMC St Radboud’, maar dat betrokkene een aanvraag heeft ingediend met als doel verblijf bij echtgenote.

Intuïtief zou men dus denken dat er geen probleem is, maar zo ziet de IND het niet: betrokkene dient Nederland binnen 28 dagen te verlaten.

Het zal duidelijk zijn dat dit hele gedoe een aantal effecten heeft.

Van meet af aan bestaat er bij de jonge onderzoeker grote onrust over de tijdelijke toelating tot ons land, onrust die interfereert met creatief wetenschappelijk werk.

De bureaucratische beslommeringen houden een groot aantal mensen bezig (gemeente, Centrum voor Werk en Inkomen, IND, onze personeelsfunctionaris). Dat ook wij als wetenschappelijke begeleiders ons hiermee moeten bezighouden en over moeten opwinden, is zonde van de energie. Het meest storend is de onmogelijkheid om met de gemeente, het IND en het Centrum voor Werk en Inkomen te overleggen. Pogingen met moderne communicatiemiddelen lopen altijd vast. Excuus voor gemaakte fouten en inzet om die te herstellen, behoort niet tot het arsenaal.

Dat dit gedoe niet goed is voor onze kenniseconomie is tot daaraan toe. Gênanter is de ongastvrijheid, dreiging en welhaast xenofobie die hieruit tevoorschijn komen. Wij schamen ons hiervoor.

Prof.dr. J.W.M. van der Meer en dr. M.G. Netea zijn als internist verbonden aan het UMC St Radboud, Nijmegen.