‘Ik hou wel van dat didactische element’

Gerrit Komrij, samensteller van ‘De Nederlandse kinderpoëzie in 1000 en enige gedichten’, houdt niet zo van kinderen. „ Ze gooien alles om. Maar het idee kind staat me wel aan.”

Gerrit Komrij (Foto Jorgen Krielen) Jorgen Krielen/Amsterdam, 11-02-2007/ Vic vd Reijt in gesprek met Gerrit Komrij. (En andersom) Krielen, Jorgen

De eerste bloemlezing van Gerrit Komrij bestond uit krantenberichten, gesorteerd naar onderwerp en netjes in schrift geplakt. Hij was toen zes jaar oud. Ruim een halve eeuw en 25 in druk verschenen bloemlezingen later, is er De Nederlandse kinderpoëzie in 1000 en enige gedichten.

Komrij dook er twee weken voor onder in de Koninklijke Bibliotheek (KB) in Den Haag. Daar bevindt zich de grootste collectie Nederlandse kinderboeken. „De meeste oude kinderboeken zijn heel zeldzaam. Maar kinderen hebben de pagina’s gescheurd, ze kleuren er in. In de KB heb je alles bij elkaar van wat er nog over is.” Komrij trof er zoveel aan dat de meeste namen die in de bloemlezing terecht zijn gekomen voor hem volstrekt onbekend waren. „Zo kwam ik David Tomkins tegen, die ik met het maximum van 10 gedichten in de bloemlezing heb opgenomen. Hij blijkt mooie gedichten te hebben geschreven. Ik ben blij dat ik ze aan de vergetelheid heb kunnen ontrukken.”

In de KB heeft Komrij zo’n 18 uur per dag gelezen. „Fantastisch om al die boeken in handen te hebben. En de plaatjes te bekijken natuurlijk. Het zijn adrenalinemarathons. Op een gegeven moment moet je ook wel ophouden, dan voel je je alsof je in de tachtigste zaal van het Louvre of het Prado staat en denkt: waar zit ik nou naar te kijken.” Verzamelen zit Komrij in het bloed: „In mijn huis in Portugal kan ik bijvoorbeeld twaalf tafels op een rijtje zetten en vijf bureaus, en daar weer verschillende vazen bovenop. Als ik iets moois heb gevonden dan zoek ik iets uit dezelfde tijd en dan zet ik het ernaast. Zodoende is mijn huis een rariteitenkabinet geworden.

„Ik zou heel graag een echte kunstverzameling willen aanleggen, maar helaas moet ik het met een beperkt budget doen. Ik heb het geluk dat mijn uitgever me af en toe vraagt een bloemlezing te maken. Dan gaat er weer iets jeuken, want je raakt er natuurlijk verslaafd aan, die periode van intensief lezen en met boeken in de weer zijn.”

Bij de verschijning van de bloemlezing is enige commotie ontstaan. Ted van Lieshout en andere dichters vinden de vergoeding van 5 euro per gedicht te laag.

„Elke dichter hoopt natuurlijk dat hij miljonair wordt met een bloemlezing en dat gun ik iedereen ook. Maar deze dichters moeten toch ook accepteren dat zij met een paar honderd anderen in dit boek staan. Blijkbaar is men dan op dat bedrag van 5 euro uitgekomen bij het verdelen van het beschikbare totaalbedrag.”

Als dichter heeft u een voorkeur voor rijm en directe, begrijpelijk taal. Daar houden kinderen ook van. Is deze poëzie u op het lijf geschreven?

„Poëzie moet gedeeld worden, je moet er een miljoen mensen mee kunnen bereiken. Dat heeft kinderpoëzie ook altijd voor ogen. Als het niet onmiddellijk pakt, dan haken die kinderen af. Dat ligt mij zeker. Dit is eigenlijk mijn ideale poëzie.”

Houdt u van kinderen?

„Ik geloof niet dat ik zo erg dol ben op kinderen. Ze drenzen, ze gooien alles om en ze kunnen zeer ongezeglijk zijn. Vandaar ook dat ik niets tegen didactische elementen heb in kinderpoëzie. Maar er is ook ‘het idee’ kind, dat bestaat uit onbevangenheid, onschuldigheid, nieuwsgierigheid, en dat is, mag je hopen, volledig in jezelf aanwezig. Als je dat kwijt bent, of hebt laten uitdrogen als een champignon, dan ben je reddeloos verloren.”

Sinds het grote succes van ‘De Nederlandse poëzie van de 19e en 20e eeuw in 1000 en enige gedichten’, hebben uw bloemlezingen een canonieke status gekregen. Hoe voelt u zich in die positie van poëziepaus?

„Slecht. Als ik dat woord hoor, dan krimp ik ineen. Ik praat alleen maar voor mezelf, niet namens een ander of instantie. Ik vrees het ook, dat gezag. Als mijn bloemlezingen bijvoorbeeld in schoolbibliotheken staan, dan bevriezen ze. Het gaat mij er juist om poëzie tot leven te wekken. Ik tracht poëzie om me heen te laten dansen, dat doe ik niet met de bedoeling om die poëzie vervolgens weer door anderen op plechtige wijze begraven te zien worden.”