Geen canon zonder dvd’s

Er is een filmcanon, maar wat nu? Gisteren boog een gemêleerd gezelschap zich over deze prangende kwestie op het Nederlands Filmfestival. Hoe kan de canon onderwezen worden?

„Best representatief” noemde Jeltje van Nieuwenhoven de canon van de Nederlandse film gisteren. Deze werd op 11 september gepresenteerd door de canoncommissie, waarvan Van Nieuwenhoven voorzitter was. Ze mocht opnieuw uitleggen hoe de keuze voor de zestien films die de canon vormen in zijn werk was gegaan. Aanleiding was een bijeenkomst tijdens het Nederlands Film Festival waar werd gesproken over het nut van de canon voor het onderwijs. Nu de lijst er is, kunnen we er ook wat mee, behalve ellenlang discussiëren over de omissies?

De aanwezigen, afkomstig uit het onderwijs en de filmwereld, werden in groepjes ingedeeld en moesten nadenken over een aantal stellingen: ‘Iedere Nederlander moet met alle films uit de canon in aanraking komen’ of ‘Filmmakers moeten bijdragen aan de verspreiding en het actueel houden van de canon’. Daarna werd er gepraat. Het nut van de canon zelf stond daarbij niet ter discussie.

Al snel kwam er op veel fronten overeenstemming. Zo werd keer op keer benadrukt dat de ‘momenten en gebeurtenissen’ uit de Nederlandse filmcultuur die de canoncommissie formuleerde, à la de ‘vensters’ van Van Oostroms eerdere canon van Nederland, eigenlijk belangrijker zijn dan de zestien ‘gezichtsbepalende’ films.

Als je de canon gaat gebruiken in het onderwijs, is het van belang dat leerlingen de maatschappelijke en culturele context waarin een film wordt gemaakt leren kennen. Zo kun je bijvoorbeeld Hollands Hollywood verbinden aan het echte Hollywood aan de hand van Maurits Bingers Een Carmen van het Noorden (1919), gemaakt in de Filmfabriek Hollandia te Haarlem. Hij was voor de Eerste Wereldoorlog een belangrijke speler op de wereldwijde filmmarkt. Dat leggen van verbindingen doet de commissie ook expliciet in zijn officiële publicatie, waarin de uitverkoren films niet op zichzelf staan zijn maar ingebed in de (inter)nationale filmcultuur.

De allerbelangrijkste voorwaarde voor het educatieve gebruik van de canon van de Nederlandse film is simpelweg dat de films beschikbaar zijn, voor docenten, maar ook voor bioscopen. Vooralsnog is er echter geen dvd-box waarin ze allemaal verzameld zijn. Een rechtenkwestie. Producent Burny Bos, Gast van het Jaar op het Nederlands filmfestival, suggereerde dat producenten de films kosteloos beschikbaar moesten stellen „als cadeautje aan het Nederlandse volk”. En waarom is er eigenlijk nog geen speciale website? De behoefte aan contextueel materiaal, zoals speciaal geschreven lesmateriaal of nieuw gemaakte interviews met de nog levende regisseurs wiens films in de canon zitten, is groot bij de CKV-docenten. Het probleem is dat film formeel geen onderdeel uitmaakt van het CKV-onderwijs (Culturele en Kunstzinnige Vorming). Vaak nemen filmgekke leraren het op in hun lessen ‘beeldend’.

Veel aanwezigen vroegen retorisch: wordt het eigenlijk niet tijd voor een ander curriculum? Met een geheel nieuw vak dat docenten aan lerarenopleidingen en Pabo’s onderwezen moet worden, waarna het in de klassen belandt. Maar dan wel iets dat breder is dan het medium film.

Nu is daarvoor hét moment, gelet op het voorstel van Groen Links om van ‘mediawijsheid’ een speciaal vak te maken, eentje waarin visuele geletterdheid een groot bestanddeel is. Met beeldtaalonderwijs, waarin leerlingen leren hoe beelden tot stand komen. Dat reduceert de canon tot slechts een onderdeel in het cursusboek ‘beeldcultuur’, maar dat leek de aanwezigen niet te deren.

Er moet iets gebeuren in het mediaonderwijs, zoveel is duidelijk. Maar wie gaat er lobbyen? Die cruciale vraag kwam niet aan de orde. Iedereen was alweer naar huis.