Een wij veronderstelt een zij

Merkwaardig hoe snel er in de pers en elders gereageerd is op het rapport van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid Identificatie met Nederland, dat onlangs aan het kabinet werd aangeboden. Weldra verschenen uitvoerige besprekingen ervan, meestal kritische.

Zelf heb ik ongeveer een week nodig om zo’n boekwerk van ruim 200 bladzijden te lezen en te digereren, en dan moet ik daar nog tijd vrij voor maken. Welnu, dat heb ik niet gedaan. Ik heb niet meer gedaan dan er afgelopen weekeinde in zitten lezen, maar wél gericht. Ik heb namelijk gezocht naar wat het rapport zegt over taal, volgens mij een van de voornaamste herkenningssignalen van een identiteit.

Welnu, dat is niet veel. In één alinea wordt vermeld hoe belangrijk in het negentiende-eeuwse Europa het taalonderwijs was voor de schepping van nationale identiteiten bij volken die toen nog nauwelijks een nationaal bewustzijn hadden en vaak vele, onderling amper verstaanbare dialecten spraken.

Dat is juist en al eerder gezegd. Bovendien: nog altijd is de grote diversiteit aan talen een groot beletsel voor de vorming van een Europese identiteit. De Nederlander herkent nog onmiddellijk de Duitser, hoe goed hij overigens ook Nederlands mag spreken – om van andere volken niet te spreken.

Trouwens, ook in één en hetzelfde land bestaan de regionale dialecten en tongvallen nog, hoewel zij, voornamelijk als gevolg van de homogeniserende televisie, snel minder worden. Maar „van veel ministers en staatssecretarissen kun je nog steeds vrij nauwkeurig vaststellen waar ze vandaan komen”, schrijft Marc van Oostendorp in het laatste nummer van Onze Taal. Daarmee identificeren zij zichzelf.

In een nationale identiteit, waarmee een natie zich onderscheidt van andere naties, bestaan dus vele subidentiteiten, herkenbaar aan hun taal (of liever: taalgebruik) en tongval. En waar die regionale herkenningssignalen verdwijnen, komen er andere voor in de plaats. Het Poldernederlands bijvoorbeeld, dat voor niet ingewijden moeilijk te begrijpen is, of het Gooise Nederlands van de televisie. En dan heb ik het nog niet eens over de vele vormen van Nederlands die allochtonen spreken.

Maar het zijn niet alleen die subidentiteiten die Nederland (en ongetwijfeld ook andere landen) maken tot een labyrint van identiteiten. Klassen bestaan ook nog, hoezeer ook ontkend. Ja, er komen er steeds nieuwe bij. En iedere klasse heeft haar eigen taalgebruik, waarmee zij zich onderscheidt (en ook wenst te onderscheiden) van andere. Carry van Bruggen sprak al in haar Hedendaagsch fetischisme (1925), dat zij eerst de titel De taal had willen geven, van de „dubbele functie” van de taal: „als grensbepaling en bindmiddel”.

Onlangs wees ik er hier op dat medio jaren dertig het woord ‘kroeg’ voor studentensociëteit bij Leidse corpsleden taboe was, terwijl het tien jaar tevoren nog gebruikelijk was. De oorzaak van deze verandering in taalgebruik was volgens mij deze: er kwamen steeds meer studenten die geen lid van het corps werden, maar wél hun eigen sociëteit hadden, die zij dan ‘kroeg’ noemden. Om zich van hen te onderscheiden, grepen de corpsleden weer terug op het officiële ‘sociëteit’. Maar ze bleven spreken over ‘kroegcommissie’. Logica had er dus niets mee te maken.

Ander voorbeeld. Onlangs vroeg ik aan iemand wat haar indruk was van een derde, die ik nog niet ontmoet had. Haar antwoord was: „O, heel geschikt. Hij zegt alleen ‘smakelijk eten’.” Daarmee typeerde zij hem als niet te behoren tot ‘ons soort mensen’, bij wie die uitdrukking, zacht gezegd, niet gebruikelijk is. Alweer het taalgebruik als herkenningssignaal van een identiteit.

Om Carry van Bruggen nog eens te citeren: „Wie een wezenlijk geestelijk contact zoekt, zal zich met grote angstvalligheid aan het geldende taalgebruik houden, daar hij immers weet hoe de geringste afwijking lachwekkend werkt – ook als zij de voorkeur zou verdienen boven de gangbare vorm. Het kennen van de code is de enige weg tot begrip.” Maar hoe leer je de code van een bepaalde groep kennen?

Zo blijkt dat regionale identiteiten doorkruist worden door sociale identiteiten, en wanneer er wegvallen komen er andere voor in de plaats. De zucht van groepen zich te onderscheiden van andere – het wij-zijdenken – is onuitroeibaar, en het taalgebruik is een van de instrumenten ervan. Er is trouwens nóg een identiteit die erdoorheen loopt: de godsdienstige, hoewel haar herkenbaarheid steeds meer verwatert.

Ik kan mij voorstellen dat de WRR het niet als zijn taak zag tot deze details af te dalen. Zijn rapport was voor mij dan ook slechts een aanleiding om aandacht te vragen voor deze verschijnselen, waarvoor, omdat zij eigenlijk niet mogen bestaan, vaak de ogen gesloten worden. Zo sloten vurige voorstanders van een verenigd Europa ook vaak de ogen voor de wezenlijke verschillen tussen Europeanen.

Maar laat ik tot het rapport terugkeren. In het begin zegt het: „Het benadrukken van (nationale) identiteit markeert niet alleen wie erbij horen, maar ook wie er niet bij horen. Het gaat bij identiteit gelijktijdig om insluiting en uitsluiting en de grens daartussen. Spreken over een ‘wij’ veronderstelt een ‘zij’ en omgekeerd.” Zeer juist. Wij-zijdenken is dus onvermijdelijk. Een identiteit in een luchtledig bestaat niet. Altijd moet de ander erbij betrokken worden.

Joep Leerssen vat het goed samen in zijn boek De bronnen van het vaderland: taal, literatuur en de afbakening van Nederland, 1806-1890 (2006) (niet genoemd in de toch zeer uitvoerige literatuurlijst van het rapport): „Identiteit is een historisch product. Identiteit wordt gecultiveerd om houvast te verschaffen in politieke onzekerheid. Identiteit is een silhouet dat vorm krijgt aan zijn buitenrand. Identiteit komt van buitenaf en wordt op een buitenwereld veroverd. Identiteit is, kortom, iets wat men zich toe-eigent.”

Anders dan prinses Máxima wil, heeft Nederland wel degelijk een identiteit, maar die kan slechts negatief gedefinieerd worden: anders dan anderen – zoals de anderen ook anders dan anderen zijn.