De fictie van de gelijke kansen

Het is een illusie dat het Nederlandse onderwijs gelijke kansen zou bieden aan alle leerlingen. Dat is niet alleen onrechtvaardig, maar laat ook veel talent onbenut, betoogt A.H.G. Rinnooy Kan.

De kwaliteit van het Nederlandse onderwijssysteem is niet onomstreden. Wij zijn ons bijvoorbeeld welbewust van het twijfelachtige succes van een aantal recente onderwijshervormingen (nu al onderwerp van een parlementaire enquête), van de hachelijke staat van de onderwijsprofessie (zoals beschreven in het recente rapport van de Commissie Leraren), en van de beperkte aandacht binnen het onderwijs voor het schaarse Nederlandse toptalent (zoals onlangs gedocumenteerd door het CPB). Maar velen van ons geloven dat het Nederlandse onderwijssysteem er gelukkig wel redelijk in slaagt om te voldoen aan de kernopdracht om niet te discrimineren naar de afkomst van de leerling. In een fatsoenlijk onderwijssysteem bestaat er immers geen directe relatie tussen de sociaal-economische kenmerken van leerlingen en hun onderwijsprestaties. De route door het Nederlandse onderwijs zou zo voor iedere leerling moeten worden bepaald door aanleg en talent, en niet door sociale herkomst.

Maar helaas: dat laatste beeld is pijnlijk onjuist. Het slechte nieuws is dat, anders dan wij zouden hopen en wensen, het Nederlandse onderwijssysteem helemaal geen gelijke kansen biedt aan iedereen. Ongelijke startposities van leerlingen vertalen zich nu juist in zeer ongelijke kansen. Gezaghebbend onderzoek van de OESO toont zonneklaar aan dat – anders dan in de Scandinavische landen en de Verenigde Staten – de sociaal-economische achtergrond van een leerling in Nederland juist van grote invloed is op de schoolprestaties. Leerlingen uit lagere sociale milieus dringen in ons land relatief veel minder vaak door tot het hoger onderwijs, en lopen een veel hoger risico op schooluitval, terwijl juist deze leerlingen uitstekend onderwijs nodig hebben om het verder te brengen dan hun ouders.

Het septembernummer van M, het maandblad van NRC Handelsblad, liet al zien dat de dreigende tweedeling zich (toegespitst op het voortgezet onderwijs) in grote lijnen als volgt laat kenschetsen. Er zijn vele scholen met vooral kinderen van laagopgeleide, vaak allochtone ouders.

Daar hebben leerlingen moeite om gedurende langere tijd geconcentreerd, gemotiveerd en geboeid de les te volgen. Er is veelal een groot verloop van leerkrachten en ouders zijn weinig of niet betrokken bij de school. Vaak overheersen de problemen die de leerlingen van huis uit meebrengen, en dat leidt tot de beruchte neerwaartse spiraal.

Daartegenover staan vele scholen met vooral leerlingen uit de middenklassen, vaak van blanke autochtone afkomst, die van huis uit een redelijk goede achtergrond meekrijgen en naar verhouding veel plezier hebben in hun school als ontmoetingsplaats en leeromgeving. Het zijn scholen waar de leerkrachten graag werken en waarbij de ouders kritisch betrokken zijn.

Nederland lijkt zo ernstig op weg naar een (vooral zwart-wit) gesegregeerd onderwijssysteem, waarin vele kinderen al vroeg worden opgescheept met lage verwachtingen over hun eigen toekomst die al gauw het karakter krijgen van self-fulfilling prophecies. Ze belanden in een homogene leeromgeving waar de mogelijkheid ontbreekt voor zwakkere leerlingen om zich aan sterkere klasgenoten op te trekken.

Dit heeft grote gevolgen voor de prestaties van leerlingen en leerkrachten; die prestaties worden immers in belangrijke mate bepaald door de school, de samenstelling van de schoolbevolking en de schoolomgeving. En juist onder leerlingen uit lagere sociale milieus (allochtoon en autochtoon) is volgens de Onderwijsraad dan ook relatief vaak sprake van onbenutte talenten. Wie in Nederland voor een dubbeltje geboren wordt, schopt het zelden tot een kwartje.

Dat is schokkend nieuws. Juist in Nederland wordt van oudsher grote waarde toegekend aan het onderwijs als vehikel voor emancipatie. Thans verwaarlozen wij niet alleen onze toptalenten – wij laten talent over de volle breedte op onacceptabele schaal onbenut. Geen land dat uitsluitend toekomst heeft als een kenniseconomie kan zich dat permitteren. Nederland faalt in de realisatie van een van de kernopgaven die wij onszelf hebben gesteld: gelijke kansen voor iedereen.

Hoe valt te verklaren dat wij zo tekortschieten in waar wij nadrukkelijk naar streefden? De OESO merkt op dat landen als Nederland en Duitsland, waar het onderwijs sociaal-economische verschillen eerder versterkt dan afdempt, zich kenmerken door relatief sterke differentiatie tussen scholen. Daarenboven kent het Nederlandse onderwijssysteem een vroege voorselectie. Kinderen en hun ouders worden al op jonge leeftijd – rond de 12 jaar – gedwongen tot schoolkeuzes die hun toekomst verregaand beïnvloeden. De WRR merkte reeds op dat er ondanks het bestaan van zogeheten brede scholengemeenschappen veelal sprake blijft van gescheiden vestigingen en gescheiden organisaties die de leerlingen met de betere Citoscores (ongeveer 40 procent) voorselecteert voor het algemeen vormende traject en de leerlingen met de mindere Cito-scores voor het beroepsvoorbereidende traject. Daardoor groeit de kans dat een achterstandsleerling op een school belandt waar dergelijke leerlingen in de meerderheid zijn.

Door het gebrek aan verbindingen tussen het algemeen vormende en het beroepsvoorbereidende traject worden leerlingen die naar het vmbo gaan daar als het ware opgesloten en hebben verkeerd gealloceerde leerlingen nauwelijks nog mogelijkheden om door te stromen. De fusie van lbo en mavo heeft de kloof tussen beide trajecten nog groter en dieper gemaakt. De doorstroming van leerlingen die om welke redenen ook ten onrechte in het beroepsvoorbereidende traject zijn beland, is haast onmogelijk gemaakt. De route naar de havo via het tweede jaar mbo, die ervoor in de plaats is gekomen, is niet alleen langer en dus hoogdrempeliger, maar blijkt ook in de praktijk gepaard te gaan met achterstanden op theoretisch vlak die de succeskansen van doorstromers alleen maar schaden.

Herkansingsroutes die in Nederland nog bestonden, zoals mavo en lts, zijn zo systematisch afgebouwd, ten nadele van vele laatbloeiers. De stelling is dan ook verdedigbaar dat het Nederlandse probleem voor een belangrijk deel te verklaren is door de onbezonnen wijze waarop wij het debat over de destijds zo gretig verketterde middenschool hebben gevoerd.

Dat is des te schrijnender omdat uit onderzoek en uit de onderwijspraktijk blijkt dat het streven naar meer gelijke kansen heel goed kan samengaan met het streven naar excellentie en uitmuntendheid. Het creeren van meer mogelijkheden voor zwakkere leerlingen om zich aan sterkere klasgenoten op te trekken hoeft de prestaties van de betere leerlingen niet aan te tasten. Zo bezien is het niet verrassend dat meerdere Europese landen – Finland voorop – erin zijn geslaagd om onderwijssystemen tot stand te brengen die niet alleen eerlijker zijn dan het Nederlandse, maar die ook leiden tot hogere gemiddelde leerlingenprestaties.

Wat kunnen wij van dergelijke landen leren? Het veelgeprezen Finse systeem kenmerkt zich door een combinatie van hoge normen en standaarden met een decentrale uitvoeringspraktijk, die schoolleiding en leraren ruimte biedt voor professioneel maatwerk. Alleen al in de totstandkoming van een sterke onderwijsprofessie heeft Nederland nog een lange, maar noodzakelijke weg te gaan. Het minste wat ons te doen staat is om de routes die ooit laatbloeiers een herkansing boden door een stapeling van diploma’s toe te staan, zo snel mogelijk in ere te herstellen. Daarnaast moeten de zogeheten dakpanklassen bevorderd worden, waarbij atheneum-, havo- en vmbo-leerlingen in ieder geval tijdens de eerste jaren van het voortgezet onderwijs in sommige vakken samen les krijgen en waar ze elkaar tegenkomen in gemeenschappelijke ruimtes.

Maar daar kan het, vrees ik, niet bij blijven. Het falen van het Nederlandse onderwijs als schepper van gelijke kansen vraagt om een herbezinning op de uitgangspunten van ons systeem. Dit betekent niet de zoveelste blauwdruk van een nieuw schoolsysteem, maar een benadering die de complete benutting van ieders talenten veiligstelt. Met minder mogen wij niet genoegen nemen.

A.H.G. Rinnooy Kan is voorzitter van de Sociaal-Economische Raad.