De brokken zijn brokjes geworden

Toen ik lang geleden in Berlijn was, vlak na de val van de Muur, tierde de handel in stukken Muur welig. Op elke straathoek kon je flinke brokken steen kopen met authentieke graffiti erop, en een stempeltje van echtheid. Ik kocht wat brokken, voor later. Die zouden vast veel geld waard worden.

Nu ik weer in Berlijn was, bleek dat de handel in Muurbrokken inderdaad afgenomen is. Je kunt ze nog maar bij een paar winkels kopen, en de brokken zijn brokjes geworden.

Ik maakte me zorgen om Berlijn, want hoe moet dat met de toeristenindustrie als straks alle brokjes Muur op zijn? Gelukkig is er inmiddels Knut, het Berlijnse ijsbeertje. Knut is alweer bijna een jaar oud, maar Berlijn en haar toeristen zijn nog steeds geobsedeerd door hem. Overal zijn Knut-boeken, Knut-kalenders en Knut-mutsen te koop. Zo raak je als toerist vanzelf in de waan dat je al die Knut-artikelen hard nodig hebt, net zoals je vroeger in de waan raakte dat je brokken oud cement nodig had. Ik kocht dan ook het boek Knut, der kleine Eisbärenjunge.

Dit boek bracht me tot de conclusie: het mooiste beroep ter wereld is baby-ijsbeerverzorger. En dan het liefst van baby-ijsberen die door hun moeder in de steek zijn gelaten, want die zijn extra dankbaar. In mijn Knut-boek zag ik vele foto’s van Knut en zijn verzorger, Thomas Dörflein, een baardige man met een heilige glimlach. Knut en Thomas deden allerlei leuke dingen op die foto’s: zwemmen, kusjes uitwisselen en filosofisch voor zich uitstaren terwijl Knuts wollige ijsberenpootjes op de brede schouders van Thomas rustten.

Ook las ik dat Thomas al eerder een kleine bruine beer en een wolfje met de fles had grootgebracht. Some people have all the luck. En toen ik gisteren de Duitse krant probeerde te lezen, bleek ook nog eens dat die verdomde Thomas net met een onderscheiding was gedecoreerd vanwege zijn vele goede werken ten opzichte van Knut. Alsof dat zwaar werk is! Die man zou geld toe moeten betalen!

Maar toen zag ik bij hetzelfde artikel een recente foto van Knut. Knut was groot geworden. Heel groot. Hij was ook niet meer wit, maar vaalgrijs. En hij had een ongezellige, mensenhatende uitdrukking op zijn gezicht. Ik hoefde niet meer naar de Zoo. Ik denk liever aan Knut zoals hij ooit was, op de foto’s in mijn prentenboek.