Architect van ‘t gewone

Architect Teun Koolhaas heeft een grotere stempel op Nederland gedrukt dan zijn beroemde neef Rem. „Mensen willen een gewone straat.”

Tot vandaag kende de Nederlandse architectuur twee Koolhazen: Rem en Teun. Van hen is Rem Koolhaas de beroemdste, maar de vandaag overleden Teun (67) drukte een groter stempel op Nederland. Als hoofd ontwerp bij de Rijksdienst voor de IJsselmeerpolders leverde Teun Koolhaas een belangrijke bijdrage aan het masterplan voor Almere, de groene en vooral flexibele stad die steeds zou kunnen worden aangepast aan nieuwe ontwikkelingen.

Ook in zijn beginjaren was Koolhaas behalve stedenbouwkundige ook architect. Zo ontwierp hij mede het gebouw voor Tandheelkunde in Utrecht, een witte kubus met ‘rare ramen’. Deze ramen waren uitzonderlijk in het oeuvre van Teun Koolhaas: hij was eerder de architect van het ‘gewone’ dan van het uitzonderlijke. „Mensen willen een gewone straat”, zei hij eens in een interview. Zijn gebouwen aan de Jodenbreestraat in Amsterdam uit 1995 zijn dan ook beslist niet opvallend, maar ze zorgden wel voor een betere, levendiger stadsstraat dan het Maupoleum waarvoor ze in de plaats kwamen.

In 1985 richtte Teun Koolhaas zijn eigen bureau op. Als ontwerper van vele nieuwbouwwijken in tal van steden werd hij van een van de weinige Nederlandse architecten die niet laatdunkend doen over Vinex-wijken. Stadswijken aan het water werden de specialiteit van het bureau. Behalve voor de Kop van Zuid in Rotterdam maakte Koolhaas’ bureau ontwerpen voor onder veel meer de Zaanoevers in Zaanstad en de IJsselkade in Doesburg.

Aan het eind van zijn leven kregen de Koolhaas-neven met elkaar te maken in Almere, toen Rems bureau OMA het nieuwe stadhart ontwierp. Het was te danken aan Teun Koolhaas’ flexibele masterplan dat Almere 25 jaar na zijn ontstaan een stadshart kon krijgen. Maar tevreden over het nieuwe hart was Teun Koolhaas niet: het ontwerp van zijn neef vond hij te spectaculair en te inflexibel.