Vietnam laat wantrouwen tegen westen varen

De handel tussen Nederland en Vietnam is beperkt. Ten onrechte, volgens de Nederlands-Vietnamese Kamer van Koophandel. De Vietnamezen willen wel. „Je moet ze eerder afremmen dan aansporen.”

Het moest een tweedaags seminar worden over de mogelijkheden van de snelgroeiende Vietnamese economie. Maar bij gebrek aan belangstelling besloot de organiserende Rotterdam Port Promotion Council (RPPC) tot een aanpassing van het programma. Het Zuidoost-Aziatische land staat nu slechts één dag in de schijnwerpers: vandaag tijdens een rondetafelconferentie in het Kasteel van Rhoon.

„Het Nederlandse bedrijfsleven laat nog veel te veel kansen onbenut in Vietnam”, zegt directeur Alfons van Gulick van Nedspice. Zijn bedrijf, gespecialiseerd in de verwerking van specerijen, is sinds tien jaar actief in het land. Op dertig kilometer ten noorden van de hoofdstad Hanoi beschikt Van Gulick over een vestiging met 130 werknemers, die goed is voor een jaaromzet van ruim 21 miljoen euro. Hij is bovendien voorzitter van de Nederlands-Vietnamese Kamer van Koophandel.

Van Gulick schat het aantal Nederlandse bedrijven dat op dit moment actief is in Vietnam op 75. „We lopen achter, zeker in vergelijking met landen als Frankrijk en Duitsland.” Uit cijfers van het ministerie van Economische Zaken blijkt dat Nederland vorig jaar voor 226,7 miljoen euro exporteerde naar Vietnam, tegenover een import van 448,7 miljoen euro. Van Gulick wijt de koudwatervrees onder zijn collega’s aan het verleden. „Vietnam draagt voor velen nog de klank van oorlog met zich mee. Van de bloedige strijd uit de jaren zestig en zeventig tegen de Amerikanen, de communistische dictatuur en de bootvluchtelingen.”

Hoewel Vietnam nog altijd een eenpartijstaat is, vervingen de machthebbers twee jaar geleden het woordje ‘communistisch’ door ‘socialistisch’ in de naam van het land, die nu de ‘Socialistische Republiek Vietnam’ heet. Maar het particuliere ondernemerschap wordt al langer gestimuleerd door de overheid. In de twee grote steden, Hanoi en Ho Chi Minh Stad, duiken steeds meer westerse winkels op. Het wantrouwen tegen westerlingen is zo goed als verdwenen.

Anno 2007 staat het land (84,9 miljoen inwoners) dan ook te boek als een modern-autoritaire staat, die kan pronken met fraaie rapportcijfers. Al zeven jaar bedraagt de economische groei meer dan 8 procent. Een ‘China in het klein’, zoals zo vaak wordt beweerd? Van Gulick, instemmend: „Die vergelijking gaat zeker op, en daarom is het ook heel simpel: nu instappen of straks de boot missen. Meer smaken zijn er niet.”

Angst voor een starre bureaucratie is ongegrond, zegt Van Gulick. Toen zijn bedrijf zeven jaar geleden de kans kreeg om volledig eigenaar te worden van zijn huidige fabriek, kreeg hij van de autoriteiten alle medewerking. Tot dan toe was het verboden voor buitenlandse investeerders om 100 procent eigenaar te zijn van een in Vietnam gevestigd bedrijf. „De van hogerhand strak geregisseerde staatseconomie bestaat niet meer. De overheid bemoeit zich vooral met de grote lijnen.”

Dat betekent in de praktijk vooral accenten leggen en verschuiven. Met succes, in het land waar nog altijd bijna 60 procent van de beroepsbevolking in de landbouw werkzaam is. Was Vietnam midden jaren negentig nog een te verwaarlozen koffieproducent, inmiddels mag het zich de tweede exporteur ter wereld noemen. Een ander voorbeeld, dat ‘kruidenspecialist’ Van Gulick nog meer tot de verbeelding spreekt: in 1990 werd er in Vietnam geen peper verbouwd. Nu is het land ’s werelds grootste producent van zwarte peper.

Het illustreert de Vietnamese geldingsdrang, benadrukt Van Gulick. Al heeft die ook een keerzijde. „Men is zo gretig en zo vastbesloten om de opgelopen achterstand door alle ellende uit de jaren zeventig in te lopen dat de gemiddelde Vietnamees zichzelf nog wel eens voorbij wil hollen. Je moet ze daarom vaak eerder afremmen dan aansporen.”

Die ervaring heeft ook Lucas Bolsius, tegenwoordig wethouder in Rotterdam (Financiën, Buitenruimte en Sport, CDA) maar veertien jaar geleden werkzaam in Vietnam als directeur van Holland Trade Bridge. In de aanloop naar de bijeenkomst in Rhoon trad hij gisteren op als gastheer van de Vietnamese delegatie. „Toen de zogeheten Aziatische tijgers in opkomst waren, zag je het land als het ware opveren. Zo van: dit keer mogen we de slag hoe dan ook niet missen. Tel daarbij het feit dat ze zich van oudsher niet laten onderdrukken – vraag maar aan de Chinezen en de Amerikanen – en je hebt een krachtige mix.”

Bij een van de vele Vietnamese loempiaverkopers in Rotterdam wil Bolsius nog wel eens een bestelling plaatsen in de moedertaal van de uitbater. Tot groot vermaak van de aangesprokene. „Het voordeel van Vietnamees is, anders dan bijvoorbeeld Thais: ook wij westerlingen kunnen het lezen. Je hoeft als zakenman geen talenknobbel te hebben om daar, op de plek van bestemming, je voordeel mee te doen.” Komend voorjaar bijvoorbeeld, wanneer de RPPC ondanks de geringe belangstelling van deze week met „een stevige delegatie” een bezoek wil brengen aan Vietnam.