Ridders van de baksteen

In de architectuur wordt originaliteit geprezen. Daarom valt het extra op als gebouwen op elkaar lijken. In deze zestiende aflevering van een serie gaat het om modernistische architectuur.

Foto boven de Beurs van Berlage in Amsterdam en rechts het traditionalistische raadhuis van Waalwijk van Kropholler (foto). Foto Rien Zilvold Raadhuis Waalwijk Foto: Rien Zilvold Zilvold, Rien

Kleine jongens denken dat de Beurs van Berlage in Amsterdam een oud, middeleeuws kasteel is. De meeste vaders laten hun zonen in de waan, maar sommige beterwetervaders vertellen ze dat het door H.P. Berlage ontworpen beursgebouw aan het Damrak slechts iets meer dan eeuw oud is en nooit werd bewoond door de Heren van Amstel. Het is een gebouw waar in graan en andere stoffen werd gehandeld, leggen ze uit, en doet nu dienst als kunsthal en muziekzaal.

Later, als ze groot zijn, zullen de jongens van architectuurgeleerden ook nog leren dat de Beurs van Berlage het begin van de modernistische architectuur is. De Beurs, zo horen ze, is een ‘rationalistisch’ gebouw, waarin Berlage ornamenten alleen gebruikte om de ‘eerlijke’ constructie te beklemtonen. Uit Berlages rationele benadering, zo hebben bijna alle architectuurhistorici tot nu toe herhaald, ontwikkelde zich de zakelijke ornamentloze stijl van Nieuwe Bouwen; uit de bakstenen Beurs kwam uiteindelijk de Van Nellefabriek van glas, staal en beton in Rotterdam voort.

Sommige grote jongens geloven de historici, maar anderen blijven zich verbazen over de verwantschap tussen de Berlages sombere, donkere kolos en de grijs-witte, transparante fabriek van Brinkman en Van der Vlugt. Auke van der Woud, hoogleraar architectuurgeschiedenis in Groningen, is zo’n eigenwijze jongen. Tien jaar geleden liet hij in zijn boek Waarheid en Karakter zien dat Berlages vaderschap van de moderne architectuur vooral een kwestie van theorie en niet van praktijk was. Als zoveel architecten aan het eind van de 19de eeuw was Berlage op zoek naar een nieuwe stijl. Die zocht hij in de rationele benadering, zo legde Berlage steeds weer uit in zijn geschriften en lezingen. Maar achter de tekentafel was hij een nostalgische romanticus.

Het is moeilijk om Van der Woud geen gelijk te geven. Wie bijvoorbeeld het in het beursgebouw gevestigde café bezoekt, ziet niets van terughoudende ornamentiek, maar wel veel wandschilderingen die niets met de constructie te maken hebben. En de vergaderzaal van het Beursgebouw heeft glas-in-loodramen en houten lambriseringen die niet hadden misstaan in kasteel Haarzuilens, dat andere middeleeuwse kasteel, ontworpen door P.J.H. Cuypers, Berlages voorganger die van de schending van zijn rationalistische geloof zijn levenswerk had gemaakt.

Goed beschouwd is er eigenlijk helemaal niets vernieuwends aan de Beurs. Berlages belangrijkste inspiratiebron voor de Beurs was het middeleeuwse Palazzo pubblico in Siena, en voor de gevels gebruikte hij oud-Egyptische maatsystemen. Ook de gelijkenis met de oude, afgebroken Amsterdamse beurs van Hendrick de Keyser is treffend. Net als dit zeventiende-eeuwse gebouw is de grote zaal van de Beurs een door arcades omgeven ruimte. De entrees met ronde bogen had Berlage ontleend aan het werk van de Amerikaanse architect Richardson, die hiervoor op zijn beurt terugreep op oude, Romaanse bouwkunst. Het enige beetje eigentijdse element in de Beurs is het dak van glas en ijzer, maar zelfs dit hadden andere architecten al een halve eeuw eerder gebruikt.

Volgens Van der Woud wijst het Beursgebouw dan ook niet vooruit, maar blikt het juist terug. Het is een vroeg 20ste-eeuws gebouw dat niet een nieuwe stijl introduceerde, maar het 19de-eeuwse eclecticisme bekroonde.

Niet de modernistische Van Nellefabriek is de nauwe verwant van de Beurs, maar bijvoorbeeld het traditionalistische raadhuis van Waalwijk uit 1932 van de ‘baksteenridder’ en Berlage-bewonderaar Kropholler.