Restantje

Sinds een jaar en een maand heb ik een petekind. Zijn naam is Jul en hij is vanzelfsprekend een van de meest fascinerend petekinderen ter wereld. Nooit was hij echt klein. Hij werd geboren met ontwikkelde biceps en een schoenmaat waar geen babysok tegenop gewassen bleek. Zijn moeder en ik hebben als kleuters besloten elkaars beste vrienden te blijven. Tot op heden lukt ons dat aardig.

Vandaar dat ik Juls meter ben en niet mopper wanneer hij in naam van een laatste restantje katholicisme dient te worden gedoopt.

Amper twaalf van de honderd Belgen gaan nog wekelijks naar de kerk. Dat aantal neemt elk jaar met ongeveer één procent af, omdat elk jaar ongeveer één procent van de bevolking sterft. Maar als er gedoopt, getrouwd of begraven moet worden, scoren vooral de Vlamingen nog bijzonder hoog. „Ik geloof blijkbaar niet weinig genoeg om het niet te doen”, zo verklaarde mijn vriendin.

Dus wij naar een minikerk in een minidorp. Het verbaasde me bijna dat de pastoor geen dwerg was, maar een zestiger met een doorsnee lengte, een luide stem, een mogelijk drankprobleem, een veronderstelde goede inborst en, sinds hij een maand eerder was overvallen, ook een posttraumatische stresssyndroom. Dat laatste kwam enkel tot uiting toen hij ons vanuit een deurkier aan de zijkant van zijn kerk bespiedde alvorens ons binnen te laten. Iedereen had daar begrip voor. „U heeft een mooie kerk, hoor!” drukte de moeder van mijn vriendin hem op het hart. Dat volstond om zijn gemoedelijkheid en positieve benadering van vrijwel alles te activeren.

Elk kregen wij een dun boekje overhandigd, waaruit de hele dienst woord voor woord viel af te lezen. Handig. Ook de pastoor haalde zijn ogen nauwelijks van de bladzijden. Er werd maar één keer gezongen en omdat we de melodie na één strofe dachten beet te hebben, kweelden we de rest van het lied collectief gegeneerd mee.

Nog nooit werd zoveel activiteit van mij verwacht tijdens een misviering. Nog nooit had ik een kind een ‘kruisje’ gegeven met de woorden „God zegene en beware u”.

Handopleggingen had ik tot dusver enkel met een doorgedreven vorm van new age in verband gebracht, en met exorcisme. Maar kijk, voor alles is er een eerste keer. En een laatste. Ik ben niet van plan er gewoontes aan over te houden.

Op mijn zevende heb ik een intens katholieke periode doorgemaakt. Mijn atheïstische ouders negeerden het hoffelijk wanneer ik zondags op mijn eentje op de kerk afstoof. Schouderophalend stemden ze in met mijn vurige wens om godsdienstonderwijs te volgen. Wanneer ik zat te bidden, lieten ze mij met rust. Eén keer benadrukte mijn vader dat ik moest begrijpen dat er ook mensen bestonden die niet in God geloofden, zoals hij. Grootmoedig vergaf ik hem. Toen ik door de godsdienstlerares werd berispt omdat ik in het weekend een kapel in plaats van een kerk had bezocht, veranderde mijn visie. Mijn grootoom had mij naar de kapel vergezeld. Ik had hem op het hart gedrukt dat God zou bewijzen dat hij bestond door bij het buiten komen een regendruppel in mijn hand te laten vallen. Dat gebeurde. Terwijl de zon scheen. Volgens mijn godsdienstlerares was zoiets niet hetzelfde als een misviering. Ik heb het haar nooit vergeven.

Vandaar ook mijn volle respect voor Juls aan de verbolgenheid grenzende blik wanneer de priester zijn wenkbrauwen, oren, mond en beentjes aanraakte, God dankend om het (inderdaad heuglijke) feit dat alles werkt zoals het hoort. „Wat doet hij bij gehandicapte baby’s?” zo vroegen mijn petekind en ik ons af.