Prachtwijk krijg je niet alleen met renovatie

Sommige probleemwijken moeten opgeknapt worden. Maar grijp ook alles aan om de sociale contacten te bevorderen en wees niet bang te spreiden, betoogt Gabriël van den Brink.

Aangestoken door de urgentie die Pieter Winsemius vorig jaar als minister onder woorden bracht en die ook Ella Vogelaar beweegt, zijn vele steden in de weer met plannen voor hun meest problematische wijken. Hoewel we meestal nog niet weten wat die plannen zullen inhouden, kunnen we al wel drie vragen opwerpen.

Ten eerste: van welke prioriteit gaat men uit? Aan welke zaken zal veel aandacht, tijd en geld besteed worden en welke zaken acht men van secundair belang? Ten tweede: hoe wil men de dringendste problemen aanpakken? Daarbij is met name de rolverdeling tussen overheden, bewoners en andere partijen van belang. Ten derde: welke rol is er weggelegd voor de professionals? De ervaring leert immers dat plannen nog zo overtuigend kunnen zijn, maar dat ze weinig voorstellen als professionals van diverse aard ze niet goed (kunnen) uitvoeren.

Het afgelopen jaar hebben we de complexiteit van het leven in probleemwijken onderzocht. We deden dat uiteraard op basis van wetenschappelijke literatuur en van cijfers die voor Nederland beschikbaar zijn. Maar ook op basis van veldwerk in zes geselecteerde probleemwijken, waarbij we spraken met bewoners, politiefunctionarissen, professionals en een enkele beleidsmaker. De derde pijler in dit onderzoek was een stedenbouwkundige analyse: hoe zijn die wijken in het verleden eigenlijk gebouwd, wat gebeurt er nu, en welke gevolgen heeft dat?

Uitgaande van het mozaïek dat zo ontstond, doen we een aantal aanbevelingen die afwijken van het gangbare beleid. Zoals bekend denken velen in Nederland dat je problemen op het gebied van leefbaarheid of veiligheid het beste langs de harde kant kunt oplossen. De gedachten gaan daarbij al snel naar fysieke renovatie uit of naar maatregelen om de economische positie van bewoners te versterken. Dergelijke factoren zijn echter nauwelijks van invloed als het gaat om leefbaarheid of veiligheid, zo blijkt.

Achterstanden op sociaal-cultureel gebied en het ontbreken van behoorlijke omgangsvormen spelen in de praktijk een veel grotere rol. Daarom zou de nadruk moeten komen te liggen op het wegwerken van culturele achterstand en het handhaven van sociale spelregels. Wat nodig is, is een programma van sociale en culturele verheffing, een programma dat enigszins lijkt op de verheffing van het volk van de sociaal-democraten in het begin van de vorige eeuw. Toen wilde men de arbeidersklasse meer beschaving bijbrengen, nu moet zo’n programma de bewoners van probleemwijken in staat stellen deel te nemen aan de moderne maatschappij.

Leer de bewoners dat moeilijkheden in het samenleven zich niet met agressie of bedreiging laten oplossen. Zorg dat jongeren in hun opvoeding voldoende regelmaat en discipline meekrijgen. Maak dat onderwijzers, huisartsen en andere ‘pedagogische’ professionals hun normatieve taken waarmaken en grijp alles aan waarmee de sfeer van geestelijke armoede overwonnen wordt.

Verder zijn er enkele bestuurlijke verbeteringen nodig. Het gaat er niet alleen om in probleemwijken de juiste dingen te doen, men moet zo ook op de juiste wijze doen. Zowel lokale overheden als corporaties, politiekorpsen en andere actoren zijn nog altijd geneigd tot een topdownbenadering. Ze erkennen weliswaar dat het eigen initiatief van wijkbewoners zeer belangrijk is, maar handelen daar zelden naar. In het algemeen vinden ze de bewoners onkundig en passief.

Maar in plaats van dat soort klachten over bewoners in probleemwijken zou het beter zijn om het eigen initiatief, dat van tijd tot tijd wel degelijk aanwezig is, volop te waarderen en te versterken. Zorg ervoor dat bewoners daadwerkelijk gehoord worden, ook als het gaat om mensen die weinig opleiding gevolgd hebben of dingen roepen die in de oren van moderne bestuurders verdacht klinken.

Iedereen erkent dat partijen moeten samenwerken, dat stakeholders een coalitie moeten vormen en dat professionals moeten netwerken, maar in werkelijkheid leidt dat vaak tot eindeloos vergaderen. We moeten veel beter kijken naar wat er in de praktijk gebeurt. Te vaak nemen bestuurders besluiten zonder dat de bewoners van de wijk daarin zijn gekend. Een kras voorbeeld daarvan is het bord dat op een zeker moment bij het Ambonplein in Amsterdam werd neergezet. Op dat bord bleek een aantal ‘afspraken’ tussen burgers en overheid te staan, terwijl de bewoners naar eigen zeggen nooit afspraken gemaakt hadden.

Op stedebouwkundig vlak is meer terughoudendheid gepast. Sommigen zoeken de oplossing in allerlei fysieke ingrepen, zoals het renoveren van hele woonblokken. Dat is geen panacee, en bovendien gebeurt het vaak niet effectief. Mocht herstructurering nodig zijn, betrek de bewoners dan vroegtijdig bij het proces en zorg dat ze een reële inbreng krijgen bij ontwerp en uitvoering. Grijp de veranderingen aan om sociale contacten te bevorderen, de betrokkenheid van bewoners bij hun omgeving te versterken en de relatie tussen bestuur en bewoners te verbeteren. En wees niet bang om te zorgen voor betere spreiding van kansarme huishoudens.

Centraal voor de toekomst van probleemwijken is de wijze waarop overheden, burgers, politiefunctionarissen en andere professionals door onderlinge samenwerking de veiligheid kunnen bevorderen. Daarbij is ook de rol van de politie voor verbetering vatbaar.

Het is goed dat de politie actief aanwezig is waar de moeilijkheden het grootste zijn. Dat de politie haar prioriteiten afstemt op de ernst van de problematiek, blijkt uit het opmerkelijke gegeven dat er nauwelijks verschillen in de tevredenheid van burgers zijn: het oordeel van bewoners in probleemwijken is niet veel negatiever dan dat van beter gesitueerde burgers. Maar verbetering is nodig in de contacten met allochtone burgers, en in het het aandeel van de migranten die zelf bij de politie werken.

Ook moeten agenten beter worden uitgerust voor hun taak als handhavers. Nog te vaak zien we dat ze alle heil verwachten van een communicatieve werkwijze, terwijl het toch ook zou moeten gaan om de handhaving van elementaire normen in het openbare domein. Een strakkere vorm van handhaven is vaak de kortste weg naar meer veiligheid in probleemwijken.

Gabriël van den Brink is lector Gemeenschappelijke Veiligheidskunde aan de Politieacademie in Apeldoorn. Dit artikel is gebaseerd op het vandaag aan minister Vogelaar aangeboden boek ‘Prachtwijken?!’, de weerslag van een onderzoek naar probleemwijken onder leiding van Van den Brink.