Jos Stellings ‘Duska’ is vol charmante tragiek

Duska. Regie: Jos Stelling. Met: Gene Bervoets, Sylvia Hoeks, Sergei Makovetsky. In: 12 bioscopen.

De hoofdpersoon en de criticus, dat zijn de grootste kwelduivels van de filmregisseur. Personages hebben zo de neiging om hun eigen leven te gaan leiden. En critici, nu ja, die begrijpen er nooit iets van. In zijn nieuwste film laat Jos Stelling die twee elkaar dus maar het leven zuur maken. Als de tuinman en de dood uit het gedicht van P.N. van Eyck draaien ze om elkaar heen. Al laat Stelling wijselijk in het midden wie wie nu op de hielen zit. Duidelijk is in ieder geval dat je je lot niet ontlopen kunt, zeker niet binnen het voorbestemde universum van een filmvertelling. Al is het niet zozeer de dood, als wel een vorm van wedergeboorte in steeds een nieuwe film.

Zeven jaar deed de maker van Hollandse klassiekers als De illusionist (1984) en De wisselwachter (1986) erover om met scenarist Hans Heesen die wereld te bedenken, vorm te geven en uit te voeren. Duska is ook een terugkeer naar de dialoogloze, soms burlesque vorm van die films. Samen schreven Stelling en Heesen ook De Vliegende Hollander (1995) en No trains no planes (1999).

Vorige week opende Duska het Nederlands Film Festival, precies een jaar nadat daar het gelijkgestemde Ober van Alex van Warmerdam in première ging. Maar toch was het Duska en niet Ober, die nog snel eventjes voor zijn première tot Nederlandse inzending voor de Oscars werd uitgekozen.

Toeval of niet, feit is dat beide regisseurs, die in de jaren tachtig werden gevierd als de voormannen van een Nieuwe Hollandse School, de tijd rijp achtten om met een film-over-film een balans op te maken van hun filmmakerschap. In beide films neemt Muze Cinema de gestalte van een onbereikbaar meisje aan. De artistieke verleiding is ook erotisch natuurlijk. In het geval van Duska is zij het meisje (Sylvia Hoeks) achter de kassa van de bioscoop waar de eens gevierde criticus en would-be-scenarist Bob (Gene Bervoets) avond na avond films ziet en herziet die hij wel kan dromen als ze hem niet soms nog uit de slaap zouden houden.

Fantastiek, magisch-realisme en werkelijkheid nemen een loopje met hem als op een avond de mysterieuze Duska (Sergei Makovetsky) voor zijn neus staat. Hij is gekomen om niet meer weg te gaan. Dat Gene Bervoets’ Bob in het dagelijks leven een man van weinig woorden is komt hem nu niet goed uit. Who the hell is Duska?! En hoe maakt hij hem duidelijk dat hij een ongewenste gast is? Want Bob heeft genoeg aan zijn eigen spinsels van celluloid. Die moeten vooral niet opeens voor zijn ogen materialiseren.

Duska is in die optiek een film die de artistieke impasse en de creatieve bevrijding thematiseert. Stelling doet dat met alle woordenloze slapstick en zwarte humor die hem ter beschikking staan. In de ogen van zowel Bervoets als Makovetsky zie je soms een glimp van de door Stelling zo bewonderde Marcello Mastroianni terug. Beide personages zijn vol van charmante tragiek, terwijl hun blik smeekt: ,,Kom, toe, vertel me, wat doe ik hier, ik wil hier weg, help.’’

En dan de hamvraag natuurlijk. Wie is Bob? Met welke Nederlandse criticus heeft Stelling nog een appeltje te schillen? Het zou al te flauw zijn om te zeggen dat hij alleen een Elcerlyc heeft neergezet, een prototype beschouwer die zo lang heeft gekeken dat hij niet meer praten, niet meer echt handelen kan. Stelling deed het elegant. In Bob zijn trekken te herkennen van de grote drie van de Nederlandse filmkritiek: Hans Beerekamp, Peter van Bueren en Pieter van Lierop, niet voor niets de oprichters van de dit jaar jubilerende Kring van Nederlandse Filmjournalisten. Het zijn generatiegenoten. Soms ook geestverwanten. Je merkt het simpelweg door hoe ze kijken, of zich oprollen in een bioscoopstoel. Maar gaandeweg versmelten hun trekken met die van Stelling zelf. Want Stelling weet: een film maken gaat ook niet zonder overpeinzing. En hij is pas echt af als-ie bekeken wordt. Door iemand die ziet wat je zelf misschien niet hebt voorzien.

Toch heeft Duska één fundamenteel probleem. Hij is te lang. Echt heel veel te lang. Daardoor wordt alles wat kwikzilverig licht van misère zou moeten zijn loodzwaar. Jos Stelling vergeleek in een interview in deze krant film met opera. Het gaat niet om het verhaal, zei hij. Maar om de aria’s. Doch Jos Stelling is geen Verdi, maar meer een Michael Nyman, de componist die de minimal music zijn naam gaf. Stelling varieert fijntjes op oerthema’s van leven en dood, vooral visueel: een kraai, een appel, een herfstblad, de oerschreeuw van geboorte. Daar zouden geen betekenisvolle paukenslagen van pauzes tussen moeten vallen.

De eerdere films van Jos Stelling staan op een dvd verzamelbox (A-Film).