‘Je moet ze dan zien stralen: kijk eens wat ik kan!’

Filosoof Henk Oosterling werkt op geheel eigen wijze mee aan de renovatie van Rotterdam-Zuid. Hij wil „jongeren serieus nemen in hun potenties.”

Een simpel rekensommetje illustreert zijn onderkoelde woede. Rotterdam telt in totaal 90.000 studenten, van wie er ruim 20.000 verbonden zijn aan de Erasmus Universiteit. Van hen is 20 procent allochtoon. „Maar die 20 procent is niet zichtbaar in de wijken”, zegt Henk Oosterling.

Oosterling (55) is vermoedelijk het beste voorbeeld van iemand „die geen genoegen wenste te nemen met de aangeboren achterstand”. Hij, kind uit een havenarbeidersgezin in Rotterdam-Zuid, ontsprong de dans. „Ook al kregen mijn ouders indertijd te horen dat ons soort mensen niets te zoeken had op het gymnasium.” Hij ging zelf „op ontdekkingsreis” en ging op zijn 23ste alsnog naar het gymnasium. Inmiddels mag hij zich filosoof noemen en hoofddocent aan de faculteit der wijsbegeerte van de Erasmus Universiteit.

Sinds vorige maand is Oosterling officieel betrokken bij het Pact op Zuid, het grootscheepse renovatieproject in Rotterdam-Zuid. Als klankbord van de gemeente én als aanjager die zijn eigen ontwikkelingsmodel Rotterdam Vakmanstad (SkillCity) ‘op’ Zuid mag toetsen en in praktijk mag brengen. Dat betekent vooral „het verknopen en het verbinden van vier pijlers: fysiek, economisch, sociaal en veilig, met een nadruk op het aanleren van sociaal-culturele en educatieve vaardigheden”. Dat klinkt gewichtiger dan het is, grijnst Oosterling. „Jongeren serieus nemen in hun potenties, dat is de essentie.”

Oosterlings levensgeschiedenis ligt grotendeels besloten in het model dat hij twee jaar geleden uitwerkte met twee collega’s, architect Dennis Kaspori en beeldend kunstenaar Jeanne van Heeswijk. Wijkactiviteiten en schoolstages moeten aansluiten op het alledaagse bestaan. Cruciaal daarbij is wat Oosterling „de creatieve ketenaanpak” noemt. Het zijn, op microniveau, de vitale coalities zoals die in Rotterdam in de vorige collegeperiode (2002-2006) ontstonden om diepgewortelde problemen te lijf te gaan: tussen deelgemeentes en politie, tussen woningcorporaties en welzijnwerkers. Het gemeenschappelijke doel, terugkeer van de leefbaarheid in de vergeten en verpauperde buurten, stond voorop.

Oosterling: „Bij alles wat Rotterdam in de achterstandswijken doet of aanpakt, moet de volgende stap verdisconteerd zijn, om de simpele reden dat het een niet los te zien is van het ander in de overgang van werk- naar cultuurstad.” Als voorbeeld noemt hij het hoger en middelbaar onderwijs. „Maak die via stages en uitwisselingsprogramma’s zichtbaar en nuttig in de wijken. Zodat het geen onbekende en dus onbeminde grootheden blijven, waarvan de gemiddelde Marokkaanse tiener zegt: die ken ik niet, die mot ik niet en die motten mij ook niet, want ik ben ‘maar’ een Marokkaantje.”

Als Oosterling nu om zich heen kijkt, ook in Rotterdam-Zuid, ziet hij nog te weinig „noodzakelijke dwarsverbanden”. Het fenomeen Brede School, met de basisschool als broedplaats en uitvalsbasis van sociaal-maatschappelijke activiteiten, juicht hij toe. „Maar het is pas het begin, ik zie nog te veel instanties die denken: we redden het wel op eigen kracht.”

Breed moet breder worden. Op de speelplaats van basisschool De Bloemhof in de wijk Feijenoord wordt duidelijk wat Oosterling bedoelt. Een zelf aangelegde groentetuin leert de leerlingen hoe de natuur bloeit en groeit, en hoe deze borg staat voor de voedselvoorziening. Kooklessen in de aanpalende vmbo-school zijn de volgende stap. Oosterling: „Zodat ze leren dat eten ook een skill is en dat een kip een dier is, en geen stuk vlees in cellofaan.”

Wim Pak (49) is directeur van De Bloemhof. De school telt twee vestigingen en 210 leerlingen, van wie 98 procent allochtoon. Sinds vorig jaar geeft de school dagelijks één uur langer les, waarbij de nadruk ligt op de cognitieve vaardigheden. Pak: „Onze leerlingen hoeven niet te weten waar Bobbelskonten ligt, en aan woordjes stampen doen wij ook niet. Wat wij wel doen is hen op een creatieve manier prikkelen en uitdagen, net zolang tot hun verborgen kwaliteiten aan het licht komen.”

Daarbij roept Pak niet alleen de hulp in van theatermakers, maar ook van twaalf- en dertienjarigen uit de wijk. „Kinderen met een taalachterstand die hier een versnelde cursus krijgen, en na drie maanden al zover zijn dat ze de allerkleinsten kunnen voorlezen. Je moet ze dan zien stralen: kijk eens wat ik kan! Dat sterkt hun zelfbeeld.”

Aan de Citotoets heeft Pak geen boodschap. „Het onderwijs kijkt altijd terug, nooit vooruit. Maar wie kinderen wil wapenen voor de toekomst, die moet hun zelfvertrouwen schragen en hen begrip van de wereld bijbrengen.” En van zichzelf en hun fysieke vaardigheden, vult Oosterling aan. Als voormalig kampioen kendo, het Japanse zwaardvechten als oefening in zelfdiscipline, zweert hij bij de heilzame werking van oosterse gevechtskunsten. „Judo bijvoorbeeld zou op elke basisschool verplichte kost moeten zijn. Er is geen beter middel voor een kind om zijn eigen lichaam en daarmee zijn eigen grenzen te kennen.”

Pak deelt die mening. Toeval of niet, maar sinds de ‘bekering’ van zijn school worden de ruiten niet meer ingegooid. En voetballende buurtkinderen bellen keurig aan als hun bal op het schoolplein is beland. Pak: „Kennelijk dwingen we respect af. Dat verbaast me niet. Je krijgt wat je geeft.”

Meer informatie is te vinden op www.vakmanstad.nl