Hockeydames babbelen vooral

Goud. Regie: Niek Koppen. In 15 bioscopen.

Goud is geen sportfilm. Goud is een sociologisch portret. Het gaat dan wel om Nederlandse hockeydames op weg naar het wereldkampioenschap, maar verwacht geen Murderball. Niemand hoeft in spanning te zitten over de afloop. Wie het nieuws had gemist en niet naar de poster had gekeken, wordt door regisseur Niek Koppen meteen in de eerste scène bijgepraat. De meisjes keren terug uit Madrid op Schiphol, worden toegeklapt en zingen Campeone olé olé olé.

Goed, ze zijn dus kampioen. En het gaat er kennelijk niet om of maar hoe ze het zijn geworden. Koppen wil ons het groepsproces laten zien dat zich voltrekt in de tien weken die aan de titel voorafgaan. We zien trainingen, stages, massages, blessurebehandelingen en vooral heel veel besprekingen. Want dat is, zo heeft de regisseur in interviews zelf al onderstreept, het belangrijkste dat hij heeft gemerkt tijdens het filmen: Nederland is verzeild geraakt in een praatcultuur en de hockeydames zijn daarvan de onvermoeibare exponenten. Soms is het van die heerlijke geheimtaal van sportmensen („je moet de looplijnen over je backhand dichtzetten”), maar vaak is het de algemene troosttaal uit het Big-Brotherhuis („ik wil me wel lekker voelen”).

Coach Mark Lammers, een robuuste huisvader, wordt er wel eens doodmoe van, bekent hij tegenover zijn staf. „Allemaal aardig, aardig, aardig.” We zien het later ook, als de camera van Koppen een groepsbespreking filmt, waarin de meisjes – zo mogen we de hockeydames wel noemen – honderduit babbelen over wat ze goed doen en wat misschien anders kan en vooral hoe ze zich dan voelen. Lammers zit er wat bij te staren. Hij is de coach, maar hij komt er gewoonweg niet tussen. Hij wíl het ook niet. Hij wou dat het praten voorbij was en dat de meisjes deden wat hij zei, zodat ze wereldkampioen zouden worden.

Het is een grappige scène en tijdens de eerste vertoningen van de documentaire kon je ook zien dat-ie werkte: er werd flink gelachen. Maar daar zit ook de zwakte van Goud. Koppen heeft Lammers zo hard nodig als comic relief in een verrassend saai tableau de troupe, dat hij de coach als het ware opoffert om zijn publiek te behagen. Je gaat lachen om de uiterst zinnige benadering van Lammers, om je niet dood te ergeren aan de dames, die „best wel tegen kritiek” kunnen, maar die ene kritische opmerking van hun coach „echt niet trekken”. En dat is dan weer reden om uren pratend naar harmonie en evenwicht te zoeken.

Het kan aan de voor 90 procent blonde meisjes liggen dat Koppen van ‘Faat’ en ‘Syl’ en ‘Miek’ geen aansprekende personages kon maken en de groep in de film amorf blijft. Of hij heeft het niet gewild en dan is het niet echt een gelukkige keuze.

Goud is zo een tamelijk onaandoenlijke film geworden met nogal nesterige meisjes, die ook nog eens hun zin krijgen.