Geloof geeft de morele kracht bij het trotseren van dictaturen

Religie staat onder atheïsten te boek als een bron van achterlijkheid. Maar soms is religie ook een kracht ten goede, betoogt Ian Buruma.

Het is in zekere spraakmakende kringen mode geworden om atheïsme te zien als een blijk van superieure ontwikkeling, hoge beschaving en verlichting. Geloof zou een teken zijn van achterlijkheid, van primitievelingen die in de duistere Middeleeuwen zijn blijven steken en nog niet toe zijn aan wetenschap en rede. Religie, zo wordt ons voorgehouden, is verantwoordelijk voor geweld, onderdrukking, armoede en ander onheil.

Voorbeelden die deze stelling onderbouwen, zijn niet moeilijk te vinden. Maar hoe staat het met het tegendeel? Kan de religie ook een kracht ten goede zijn? Zijn er gevallen waarin het geloof zelfs hen te hulp schiet die zelf niet gelovig zijn?

Ik ken noch de goede noch de kwade kanten van enig geloof uit eigen ervaring, maar nu wij op de televisie gezien hebben hoe Birmese monniken de veiligheidstroepen van een van de repressiefste regimes ter wereld het hoofd boden, kun je moeilijk volhouden dat het geloof geen goede kanten heeft. Birma, ook bekend als Myanmar, is een diepgelovig land, waar de meeste mannen een deel van hun leven doorbrengen als boeddhistisch monnik. Zelfs de Birmese junta aarzelde voor zij geweld gebruikte tegen de monniken in hun bruin en saffraankleurige gewaden.

De monniken kregen weldra gezelschap van studenten, acteurs en anderen die van de junta af wilden. Maar de monniken hadden de eerste stap gezet: zij waagden het te protesteren toen de meeste anderen het hadden opgegeven. En zij deden dat met het morele gezag van hun boeddhistische geloof. Romantici zullen misschien zeggen dat het boeddhisme anders is dan andere religies, dat het meer een filosofie is dan een geloof. Maar dat is niet juist. Het boeddhisme is in Azië al eeuwenlang een geloof, en het kan evengoed als welk ander geloof ook worden gebruikt om geweld te rechtvaardigen. Kijk alleen naar Sri Lanka, waar in de burgeroorlog tussen de boeddhistische Singalezen en de hindoeïstische Tamils het boeddhisme verstrengeld is met etnisch chauvinisme.

Zoals de boeddhisten hun leven hebben gewaagd voor de democratie in Birma, hebben christenen dat gedaan in andere landen. Toen halverwege de jaren tachtig de katholieke kerk zich tegen het Filippijnse regime van Ferdinand Marcos keerde, waren de dagen van de dictator geteld. Toen Marcos dreigde de ‘volksmacht’ met geweld te verpletteren, hebben duizenden de tanks getrotseerd, maar haar morele gezag ontleende de rebellie aan de aanwezigheid van priesters en nonnen. Politieke dissidenten in Zuid-Korea hebben inspiratie geput uit hun christelijke geloof en hetzelfde geldt voor China. Ook kan niemand ontkennen dat het gezag van paus Johannes Paulus II stimulerend heeft gewerkt op de Poolse opstand tegen de communistische dictatuur in de jaren tachtig.

Ware gelovigen zullen in dit soort aangrijpende gebeurtenissen de hand van God zien. Corazón Aquino, Marcos’ voornaamste tegenstander, liet zich zelfs voorstaan op een rechtstreeks lijntje met God. Hierover heb ik mijn twijfels, maar de morele kracht van het geloof kan het ook stellen zonder bovennatuurlijke verklaring. Die kracht ligt in het geloof zelf, in een morele orde die het kan opnemen tegen dictators. Velen die tijdens de Tweede Wereldoorlog actief verzet pleegden tegen de nazi’s, waren vrome christenen. Sommigen hebben, ondanks persoonlijke vooroordelen tegen joden, aan joden onderdak verleend, enkel omdat zij dat als hun religieuze plicht zagen.

Geloof kan het ook stellen zonder een bovennatuurlijk wezen. Niet minder fel verzet tegen de nazi’s werd gepleegd door mannen en vrouwen die kracht putten uit hun geloof in het communisme.

Ondanks het geweld van islamisten mogen wij niet vergeten dat op dit moment ook de moskee een basis kan vormen voor verzet tegen de merendeels seculiere dictaturen in het Midden-Oosten. In een wereld van onderdrukking en morele ontwrichting bieden religieuze waarden een alternatief moreel universum.

Het gevaar van alle dogma’s, hetzij religieus of seculier, is dat ze leiden tot uiteenlopende vormen van onderdrukking. De opstand tegen de sovjetbezetter in Afghanistan werd geleid door heilige strijders, die vervolgens hun eigen wanbewind vestigden.

Charismatisch leiderschap heeft zo zijn eigen problemen, al is het in een mildere vorm. Op de Filippijnen mag dan in de zwarte dagen van de ‘volksmacht’ de madonna-achtige positie van Aquino een bron van inspiratie zijn geweest, de democratie had er weinig baat bij. En zodra in Polen de strijd tegen het communisme gestreden was, raakte de beweging Solidariteit verdeeld tussen seculiere democraten en gelovigen die leiding zochten bij de rooms-katholieke kerk.

Dit alles neemt niet weg dat in de politiek een belangrijke rol is weggelegd voor het geloof, vooral in omstandigheden waarin seculiere liberalen machteloos staan, zoals onder de nazibezetting, een communistisch bewind of een militaire dictatuur.

Liberalen zijn het hardst nodig wanneer er compromissen moeten worden gesloten; maar tegenover grof geweld heb je niet zoveel aan hen. In zulke omstandigheden nemen visionairen, romantici en gelovigen, door hun overtuiging gedreven, risico’s die de meesten van ons niet zouden aandurven.

Het is over het geheel genomen niet goed om door zulke helden te worden bestuurd, maar het is goed dat zij er zijn, wanneer wij hen nodig hebben.

Ian Buruma is hoogleraar aan Bard College. Hij schreef ‘Dood van een gezonde roker’. © Los Angeles Times