De sterke zwakke euro

De olieprijs wordt nog altijd in dollars berekend. Maar dat is geen wet van Meden en Perzen. De nog onbekende ‘energie-euro’ zou wel eens net zo gemeengoed kunnen worden als de petrodollar. Op zichzelf maakt het niet uit in welk munt de prijs van goederen wordt uitgedrukt. Maar als het om olie gaat, heeft de rekeneenheid symbolische betekenis. De munt waarin de prijs van olie wordt uitdrukt is een politieke machtsfactor. Als de OPEC en andere energie exporterende landen hun vaten olie en kubieke meters gas voortaan in euro’s zouden afrekenen, zeggen ze in politieke zin dat de euro in hun ogen de eerste munt ter wereld is.

Zover is het niet. ‘De dag dat de dollar viel’ heeft zich nog niet aangediend. De Amerikaanse munt zakt elke dag een paar centen verder weg. Dat oogt niet spectaculair. De zorgen over deze gestage neergang nemen niettemin toe en worden steeds politieker. Premier Jean-Claude Juncker van Luxemburg – sinds 2005 tevens voorzitter van de zogeheten Eurogroep waarin de ministers van financiën uit de eurozone zich hebben verenigd – heeft maandag het monetaire beleid van de Verenigde Staten openlijk op de korrel genomen. Volgens Juncker moet de Amerikaanse regering de val van de dollar tot staan brengen. Zijn uitlatingen leidden zowaar tot een licht herstel van de dollar.

Maar Junckers publieke interventie is uiteindelijk vooral politiek van aard. Tussen 19 en 22 oktober komt de G7 bijeen, de ministers van financiën van VS, Canada, Japan, Duitsland, Groot-Brittannië, Frankrijk en Italië.

De tijd dat zulke bijeenkomsten de financiële wereld konden veranderen, is voorbij. Overheden hebben veel minder invloed op de monetaire verhoudingen dan in bijvoorbeeld 1971, toen onder auspiciën van president Nixon de dollar werd losgekoppeld van de gouden standaard en zo de kostbare, hopeloze oorlog in Vietnam tenminste financieel deels worden afgewenteld op de rest van de wereld. Door de devaluatie van de dollar werden rente op en afbetaling van de Amerikaanse staatsschuld, die in dollars in de boeken stond, fors goedkoper. Crediteuren moesten het verlies afschrijven.

Maar het G7-beraad over drie weken kan wel een politiek signaal opleveren. Met zijn oproep aan de Amerikaanse regering en de FED om de dollar een duwtje in de rug te geven, heeft Juncker impliciet te kennen gegeven dat Europa bij de financiële afwikkeling van de Irak-oorlog liever geen herhaling wil van ‘1971’.

Dat is op zichzelf verstandig. Ware het niet dat er zo weinig politieke dekking is. Want anders dan de dollar is de euro niet meer dan één munt waarachter een lappendeken van monetaire opvattingen schuil gaat. Tot nu toe ligt er geen consensus in het verschiet tussen bijvoorbeeld de Franse president Sarkozy, die de euro via de Europese Centrale Bank goedkoper wil maken, en de Duitse bonskanselier Merkel. Zolang die politieke meningsverschillen blijven bestaan, betekent het ontstaan van een ‘energie-euro’ politiek weinig en zijn interventies als van Juncker vooral slagen in de lucht.