De man of de natie

De neergang van George W. Bush duurt nu al twee jaar. En er is nog bijna anderhalf jaar te gaan. De effecten zijn over de hele wereld voelbaar. Dat een premier in Japan onlangs het veld moest ruimen, had ermee te maken. Die had beloofd om een kleine symbolische bijdrage aan de strijd in Afghanistan te blijven leveren. Zijn eigen achterban interesseerde zo’n belofte niets meer en het was een mooie aanleiding om de ongeliefde Shinzo Abe te laten struikelen. Want wat was een toezegging aan Bush immers nog waard?

In Australië zit een van de laatste trouwe kompanen nog als premier. Hij gaat binnenkort, alleen al daarom, waarschijnlijk de verkiezingen verliezen. Een paar weken terug was George Bush in Sydney op een bijeenkomst van alle staten die aan de Stille Oceaan grenzen. Het is een van die massa-evenementen waarvan eigenlijk geen mens meer weet, waarom ze ook alweer gehouden moeten worden, maar als publicitair podium leven ze een eigen leven. De Amerikaanse president wilde joviaal doen en nodigde de ene na de andere Aziatische collega uit om eens bij hem langs te komen op zijn ranch, in Texas. Het werd een drama, want de ene na de andere Aziaat liet gewoon publiekelijk weten dat zoveel familiariteit te ver ging en dat ze niet van plan waren zich in een gezellig golfkarretje met George W. te laten rondrijden.

Een troost is misschien dat tweede-termijnpresidenten bijna nooit een vrolijk laatste jaar beleefden. Het vertrek van de vierkante Harry Truman naar huis, naar Independence, Missouri, werd alom ervaren als een opluchting, De tweede termijn van Eisenhower liep af met grote zorgen over de wapenwedloop tussen Amerika en de Sovjet-Unie. Nixon vloog wegens verkiezingsbedrog de laan uit en bezorgde zijn land een trauma. Van Reagan zei iedereen dat hij te oud was om alles nog te kunnen volgen – ook pijnlijk. President Clinton moest zichzelf in zijn tweede termijn eveneens naar de finish slepen – in diens geval door een onverantwoorde stommiteit van eigen makelij.

Een troost voor Bush is misschien dat de geschiedenis wel eens van mening wil veranderen. Harry Truman geldt inmiddels als een groot staatsman. Zelfs aan Nixon zijn ten langen leste goede kanten ontdekt – zijn opening naar China bijvoorbeeld. Reagan is de vaderfiguur geworden die over zijn eigen schaduw sprong en de ondergang van de Sovjet-Unie netjes begeleidde. En het charisma van Clinton heeft hem in een nieuwe baan om de aarde geslingerd, die van celebrity-weldoener in de functie van ex-president.

Maar al deze relativering ten spijt is de situatie nu een stuk dramatischer. Te veel is er misgegaan, te weinig is er ruimte gelaten voor voortschrijdend inzicht.

De ware bondgenoten in Irak kiezen het hazenpad: de Britten zijn van 45.000 man terug naar ruim 5.000. Zuid-Korea reduceert van 1.200 naar 800 man. De 900 Polen zijn in de Poolse verkiezingen deze maand een omstreden onderwerp. Australische soldaten kunnen eind van het jaar waarschijnlijk ook worden uitgewuifd. En dan is er nog Georgië dat lid van de NAVO wil worden en 2.000 man in Irak had. Die gaan terug naar 300. Een tamelijk bont gezelschap ware vrienden alles bij elkaar – dat wel.

Zeker, de uitgestippelde tactiek voor Irak ontlast de nalatenschap van deze president. Als hij het Witte Huis verlaat, zitten de troepen nog in Irak en de nederlaag ginds wordt daarmee nu alvast voor een deel bijgeschreven op de rekening van zijn opvolger. De huidige president kan gewoon blijven volhouden dat de zege een kwestie is van lange adem. De tragische beelden van vertrek met her en der nog een aanslag en een vreugdevuur op de achtergrond zullen een associatie zoeken met de 44ste president – meer nog dan met de huidige nummer 43.

Maar voor het Westen is dit langgerekte wegkwijnen achter een façade van krachtige taal een drama met gevolgen. Fronten verharden van Pakistan tot Libanon. In het meest dynamische deel van de wereld – Azië – maakt het landen onzeker. Vriendelijk, vasthoudend en nadrukkelijk spreidt China er zijn vleugels uit. In Japan wordt hardop nagedacht over een betere eigen defensie, want wat zijn de klassieke banden met Amerika geleidelijk aan nog waard? Dat waait niet allemaal in een dag over wanneer een volgende president is beëdigd. Alle dan ongetwijfeld denderend pr-geweld en meedeinende media ten spijt. In hoeverre zijn we, met andere woorden, getuige van de neergang van een man of van een natie?

Rest voor president Bush voorlopig alleen nog het ambt – een president is immers ook de ultieme belichaming van Amerikaanse civic religion. Het buitenland merkt hier meestal minder van, maar je ziet het als je een president op de voet volgt: het presidentiële zegel dat achter hem aan reist en aan elk spreekgestoelte wordt gemonteerd, de vlaggen van staat en federatie die er altijd zijn, het saluut, de trompet, de limousine-met-embleem, de Airforce One. En de ouders in de zaal, die ongetwijfeld in overgrote meerderheid de pest hebben aan zijn beleid, maar die nu trots zijn, zich verdringen voor een foto en boven de muziek uit klappen wanneer een – altijd sonore – stem weerklinkt: „Ladies and gentlemen, the President of the United States.” De lamme eend is dan helemaal de lamme eend niet meer, hij is de dienstdoende hogepriester van de natie.

In deze zin, maar alleen in deze zin, is er niets aan de hand.