De enige gelovigen

Alle militante moslims behoren tot de tak salafisten.

Salawat? Een inleiding.

Nog maar enkele jaren geleden was de term ‘salafisme’ alleen bekend bij de ware gelovigen zelf en bij een handjevol specialisten. Nu valt de term in Kamerdebatten en beseft ook de politiek dat alle moslims van de gewapende strijd, van Jihad Islamiya in Egypte tot Al-Qaeda, behoren tot dezelfde richting binnen de islam: het salafisme.

Hoewel alleen een radicale fractie geweld gebruikt, levert deze stroming als geheel de theologische en juridische rechtvaardiging voor vijandigheid jegens ongelovigen. En iedereen is ongelovig, vinden salafisten, behalve zijzelf.

Bernard Haykel is hoogleraar Midden-Oosterse Studies aan Princeton University en maakt al 17 jaar studie van het salafisme. Afgelopen weekend sprak hij in Berg en Dal op een grote internationale conferentie over salafisme, georganiseerd door het Instituut voor studie van de islam in de moderne wereld (ISIM) en de Radboud Universiteit Nijmegen.

Het salafisme is in de loop der eeuwen geworteld op het Arabische schiereiland. Het is de staatsgodsdienst in Saoedi-Arabië, Qatar en Jemen onder de naam wahhabisme. De salafi-beweging herleefde in de jaren zeventig, mede door de teleurstelling in het Midden-Oosten over het Arabisch nationalisme en socialisme en de verloren oorlog tegen Israël in 1967. Intussen heeft de beweging, mede door Saoedische petrodollars, een wereldwijde aanhang, ook onder moslims in Europa.

„Alle salafi,” zegt Haykel, „behoren tot de premoderne geloofsrichting Ahl al-Hadith, ‘navolgers van de overlevering’ (over het leven van de profeet Mohammed, red.). Zij willen terug naar de authentieke overtuigingen en praktijken van de eerste generaties moslims, de Salaf al-Saleh (vrome voorvaderen). Vandaar de naam salafi.”

Als bronnen van gezag erkennen de salafi alleen de Koran, de Soenna (de canonieke selectie van overleveringen over het leven van Mohammed) en de consensus onder de metgezellen van de profeet, volgens Haykel. „Verder zijn ze van mening dat Koran en Soenna letterlijk moeten worden genomen en voor moslims van alle tijden leidraad zijn. Volgens salafi spreken deze bronnen voor zich en kan ieder die het lezen machtig is ze begrijpen. Die opvatting is zeker geen gemeengoed onder moslims en ondermijnt het traditionele gezag der schriftgeleerden.”

Haykel deelt de vele verschillende salafi-groepen in naar hun politieke engagement. „De kleinste en radicaalste groep roept op tot gewelddadige actie tegen de bestaande orde en tot vestiging van een islamitische eenheidstaat, die zij kalifaat noemen. Dit zijn de salafistische jihadi die voortdurend in het nieuws zijn. De tweede groep pleit voor geweldloze politieke actie in zowel islamitische als niet-islamitische samenlevingen. De derde groep wil niet in de schijnwerpers treden en is gezagsgetrouw. Volgens hen zijn alle vormen van openlijke organisatie en actie, laat staan geweld, verboden, omdat die leiden tot onenigheid (fitna) onder moslims.”

Salafi beweren dat alleen zij het paradijs zullen zien en dat alle anderen naar de hel gaan. En dan hebben ze het over moslims, want niet-moslims gaan sowieso naar de hel. Zij geloven ook dat zij medemoslims moeten helpen en niet-moslims met vijandigheid moeten bejegenen.

Haykel: „Dit is de doctrine van al-wala’-wa-l-bara’ (loyaliteit en mijding). Afhankelijk van omgeving en omstandigheden zijn salafi bereid zich in te laten met takfir (andere moslims tot ongelovigen verklaren). Medemoslims worden beschuldigd van verwerpelijke nieuwlichterij (bida’), als hun religieuze praktijken niet bekend waren aan de eerste generaties islamieten. De meeste soennitische moslims voldoen niet aan de strenge salafi-normen voor rechtgelovigheid. Sji’ieten en soefi’s (mystici) zijn vanouds doelwitten van salafistische aanvallen. Die gaan nu door in Irak.’’

De nieuwe lichting salafi die opkwam in de jaren zeventig heeft er nog enkele vijanden aan toegevoegd: moslims die moderne ideologieën aanhangen als nationalisme, democratie en socialisme en elke heerser, regering of staatsvorm die de islamitische wetten en leerstellingen niet strikt toepast. Opstand tegen een staat die slechts in naam islamitisch is, geldt als legitiem, zelfs als religieuze plicht. Haykel: We zullen nog lang moeten leven met deze militante minderheid.”

Lees meer over Bernard Haykel via: www.nyu.edu