Baas Blackwater verdedigt zich

De oprichter en directeur van het Amerikaanse particuliere beveiligingsbedrijf Blackwater heeft zich gisteren in het Congres verdedigd tegen de verwijten dat zijn medewerkers zich misdragen in Irak. „Ik geloof dat we altijd juist hebben gehandeld”, zei de 38-jarige Erik Prince tijdens een hoorzitting van de zeer kritische Toezichtscommissie van het Huis van Afgevaardigden. Prince heeft in het verleden altijd zo veel mogelijk geprobeerd uit de media te blijven.

Blackwater is met circa 850 man gelegerd in Irak om er Amerikaanse diplomaten te beveiligen. Vorige maand raakte het in opspraak na een schietincident in Bagdad, waarbij werknemers zeker elf burgers doodden. Het was niet het eerste incident rond Blackwater en Congresleden beschuldigen het bedrijf ervan zich te gedragen alsof het boven de wet staat en dat het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken, de opdrachtgever, onvoldoende toezicht houdt.

Gisteren verweerde Prince zich tegen de beschuldigingen door te stellen dat dertig van zijn werknemers in Irak zijn omgekomen, terwijl onder de door zijn bedrijf beveiligde diplomaten geen slachtoffers zijn gevallen. „Er is geen beter bewijs voor de bekwaamheid en toewijding van deze mannen.” Hij klaagde dat er „voorbarige conclusies zijn getrokken gebaseerd op foutieve informatie”.

Prince reageerde ook op het feit dat een Blackwater-medewerker op Kerstavond 2006 in dronken toestand een lijfwacht van een van de twee Iraakse vicepresidenten doodschoot. De man werd binnen 36 uur, met toestemming van het ministerie, het land uit gebracht en is nooit vervolgd. Volgens Prince is de man ontslagen en beboet. „Maar als de particuliere onderneming die we zijn, konden we niet meer doen. We kunnen hem niet afranselen. We kunnen hem niet opsluiten. Dat is een zaak voor justitie.” Inmiddels doen het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken, het Pentagon, de federale recherche FBI en de Iraakse regering onderzoek naar de incidenten rond Blackwater in Irak. (AP)