Spaanse koning pikt ’t niet

Spanje heeft het nog nooit zo goed gehad als onder de huidige monarchie. Na weken van ‘aanvallen’ op zijn persoon en zijn koningschap voelde Juan Carlos zich gisteren genoodzaakt van zich af te bijten.

In een toespraak in Oviedo onderstreepte hij dat de monarchie heeft gezorgd voor „de langste periode van stabiliteit en voorspoed” onder de Spaanse democratie. Hij kreeg een warm onthaal. Veel Spanjaarden zijn in hun hart misschien republikeins, de meesten dragen koning Juan Carlos nog altijd op handen wegens zijn actieve rol bij de overgang van de dictatuur naar de democratie na 1975.

Van een acute bedreiging voor de monarchie lijkt geen sprake, maar de media schonken de afgelopen dagen veel aandacht aan de verdediging van het Spaanse koningshuis en Juan Carlos in het bijzonder. Ze volgden op een reeks kleine protesten. Zo staken in Catalonië radicale nationalistische studenten foto’s van leden van het koninklijk huis in brand, eiste presentator Federico Jiménez-Losantos op de radicaal-conservatieve bisschoppenzender Cope het aftreden van Juan Carlos omdat die slap zou optreden tegen de socialistische regering, en stelde de Catalaanse republikeins-nationalistische splinterpartij ERC voor de koning uit zijn ambt van opperbevelhebber te zetten.

Het spits werd deze zomer afgebeten door het satirische weekblad El Jueves, dat de nieuwe geboortepremie van de regering in een spotprent in verband bracht met seksuele activiteit tussen kroonprins Felipe en zijn echtgenote Letizia. De tekenaar en de hoofdredacteur kregen 3.700 euro boete wegens majesteitsschennis.