Sluiten

In en rond het centrum van Amsterdam gaan veel kleine winkels over de kop. Winkels op het gebied van kleding, kunst, boeken, lijsten, cd’s, noem maar op. Als regelmatige passant zie je het meestal gebeuren, met een haast onafwendbare noodlottigheid.

Eerst is er de feestelijke opening, met de genodigden, het glas geheven, uitbundig op de stoep. Wij gaan het maken, hoor je de eigenaren zeggen, wij zullen dit straatje wel even een facelift geven.

De eerste weken verlopen ook florissant, er is veel aanloop van nieuwsgierigen. Geleidelijk wordt het rustiger. De eigenaar verschijnt bij mooi weer op de drempel om zich even in het zonnetje te koesteren en impliciet tegen voorbijgangers te zeggen: „Zie je deze deur? Die staat open, ook voor jou.”

Op regenachtige dagen zien we hem geconcentreerd voor zijn computer zitten, verbeten suggererend dat de opdrachten binnenstromen.

Daarna begint het buurtbewoners op te vallen dat „je er nooit iemand ziet”. Fatale woorden die sneller rondzingen dan de eigenaar kan of wil bevroeden. Het doodvonnis wordt al over hem uitgesproken, terwijl hij nog in hoger beroep denkt te kunnen gaan.

De laatste maanden gaat het met zoveel onvermijdelijkheid bergafwaarts dat de eigenaar elke morgen bij het opstaan geen dag meer voor zich ziet, maar een afgrond. Het is afgelopen. Langer uitstel bezorgt hem alleen maar meer pijn. De signalen van de buitenwereld zijn zwepen waarmee hij zichzelf geselt.

Kijk, daar loopt weer zo iemand die hem verraden heeft, die man die in het begin bij hém kwam kopen, maar nu met het tasje van de concurrent voorbijloopt.

Ik voel hoe hij naar mij kijkt en moffel mijn tasje achter mijn rug weg, terwijl ik met mijn andere hand probeer te groeten. Hij groet met afgewend gezicht terug. Ik bloos van schuldgevoel, maar tegelijk denk ik opstandig: wat verwacht je dán – dat ik bij jou mindere spullen voor méér geld koop?

Een enkele keer komt de ondergang voor de klant als een complete verrassing.

„Tot de volgende keer”, zei ik tegen de eigenaresse van ‘mijn’ dierenzaak.

„Er zal geen volgende keer zijn”, zei ze bitter. „We moeten sluiten. Na drieëntwintig jaar.”

Sluiten, hoezo? De zaak leek goed te lopen, je zag er juist altijd wel íemand. Ze verkochten er bovendien zulk ideaal kattenzand dat ik soms de aandrang voelde om er ook zelf mijn plas in te doen. Je plas wordt een stevige klont die niet stinkt – welke ondergespetterde (heren!) wc kan dat nazeggen?

Maar het was niet voldoende om deze dierenzaak te redden. „Opeens krijg ik 800 euro huurverhoging per maand”, zei ze, „probeer dat maar eens op te brengen.”

Verderop zag ik een lijstenzaak die aan zijn doodsstrijd bezig was. De eigenaar probeerde zijn frustratie te maskeren met uitdagende raambiljetten, alsof hij in een opwelling van goedgeefsheid afscheid van ons wilde nemen. „Opheffingsverkoop! Kortingen 50 procent plus op alles! Laatste dagen! Going out of business! Sale! Sale!”

Hier hoefde ik me niet schuldig te voelen. Ik was deze zaak nog nooit binnengeweest. Tegelijk bedacht ik dat het voor ieder mens, en zeker voor ieder zakenmens, ook een passend grafschrift zou zijn: „Going out of business.”