Schoon kinderdagverblijf voorkomt geen allergieën

Kinderen die op zorgvuldig schoongehouden kinderdagverblijven zaten en daardoor minder infecties doormaakten, krijgen later net zo vaak allergische aandoeningen als kinderen op ‘vieze’ dagverblijven. Het idee dat meer infecties beschermen tegen allergieën zoals astma, hooikoorts en eczeem lijkt niet te kloppen. Dit concluderen kinderartsen van de universiteit van Oulu in Finland in het oktobernummer van het tijdschrift Archives of Pediatrics and Adolescent Medicine. Zij verwerpen de zogenaamde hygiënehypothese.

Volgens die hypothese wordt het afweersysteem van jonge kinderen tegenwoordig niet genoeg gebruikt om bacteriën en virussen te bevechten. Het richt zich dan sneller tegen het eigen lichaam en tegen ‘onschuldige’ graspollen of kattenharen. Daardoor zouden allergieën ontstaan.

Prof.dr. Onno van Schayck, hoogleraar preventieve geneeskunde aan de Universiteit Maastricht is een scepticus als het gaat om die nog steeds omstreden hygiënehypothese. „Al aan het begin van de twintigste eeuw is de hygiëne in onze maatschappij sterk verbeterd. En pas aan het einde van diezelfde eeuw was er een toename van allergische aandoeningen. Als de hygiënehypothese klopt, zou dat al veel eerder hebben moeten plaatsvinden.”

Om de hypothese te testen zou een groep kinderen doelbewust veel infecties moeten krijgen en een andere groep weinig. Maar dat experiment gaat onderzoekers, laat staan ouders, te ver. Finse kinderartsen draaiden het om: ze probeerden infecties te voorkómen.

In 1991 en 1992 is bij tien kinderdagverblijven een hygiëne-offensief ingezet, waarbij de nadruk lag op handenreiniging met alcohol. Tien andere kinderdagverblijven deden niks speciaals. In de anderhalf jaar dat die studie, met zo’n 1300 kinderen duurde, hadden de ‘hygiëne-kinderen’ 16 procent minder ziektedagen kregen zij 24 procent minder antibiotica voorgeschreven. Twaalf jaar later hadden beide groepen echter evenveel last van allergieën.

De Finnen spreken de hygiënehypothese tegen met hun resultaten. Van Schayck: „Studies waarbij het toeval bepaalt in welke groep een kind terechtkomt, spreken de hypothese bijna altijd tegen.”