Sabeltijger beet slapjes

Sabeltijgers moesten hun prooi tegen de grond werken voordat ze die konden doodbijten. De bijtkracht van deze uitgestorven kat haalde het niet bij die van een leeuw.

Schedel van een sabeltandtijger. Foto: University at Buffalo University at Buffalo

Sander Voormolen

De sabeltandtijger, een uitgestorven katachtige die er met zijn extreem grote hoektanden vervaarlijk uitzag, had slechts eenderde van de bijtkracht van een hedendaagse leeuw. Dat blijkt uit een reconstructie met computermodellen van een groep Australische ingenieurs en biologen. Deze week publiceren zij hun resultaten in het Amerikaanse blad Proceedings of the National Academy of Sciences..

De onderzoekers maakten een CT-scan van schedels van een sabeltandtijger Smilodon fatalis en van een leeuw. Zo verkregen ze een nauwkeurig en natuurgetrouw digitaal ‘draadmodel’ van deze schedels op basis waarvan ze verder konden rekenen. Bij een gesimuleerde grote bijtkracht bleken er zeer grote spanningen te ontstaan in met name de onderkaak van de sabeltandtijger. Een digitale leeuw die drie keer zo hard beet, vertoonde maar weinig tekenen van stress in botten en tanden.

Gesimuleerde zijwaartse krachten, die zouden ontstaan door een tegenspartelende prooi, maakten het verschil nog dramatischer. Waar bij de leeuw de spanningen vrijwel alleen in de korte hoektanden van boven- en onderkaak ontstonden, kleurden bij de sabeltandtijger onderkaak, hoektanden en grote delen van de schedel rood van de stress.

Een sabeltandtijger kan dus nooit zo gejaagd hebben als de moderne leeuw; door een prooi in de hals te grijpen en niet meer los te laten tot zijn slachtoffer gestikt is. Met in gedachten de prooien van Smilodon (mastodonten, mammoeten en neushoorns) zou een sabeltandtijger die zo’n aanval probeerde, dat hebben moeten bekopen met gebroken tanden, een gebroken kaak en flinke koppijn. De Australiërs concluderen dat sabeltandtijgers hun prooi eerst tegen de grond moeten hebben gewerkt alvorens hun dodelijke beet toe te dienen. En die was waarschijnlijk gericht op de hals van het slachtoffer.

Volgens de Utrechtse hoogleraar paleontologie Jelle Reumer liggen de conclusies van het Australische onderzoek voor de hand. „Paleontologen kunnen aan de vorm van de onderkaak met aan het uiteinde het kroonuitsteeksel al duidelijk zien dat het dier een heel geringe bijtkracht moet hebben gehad. De aanhechting van de kauwspier die over de slaap loopt is heel klein.”

Paleontoloog John de Vos van Naturalis zegt dat ook andere sabeltandkatten zoals Machairodus, die leefde van 15 tot 2 miljoen jaar geleden, in bijtkracht onderdeden voor de leeuw. De Vos: „Dat concludeerde student Bas Brittijn een paar jaar geleden op basis van anatomische kenmerken.” De voornaamste bijdrage van de Australiërs lijkt hun berekening van de maximale bijtkracht van de sabeltandtijger. Die steekt met 1.104 Newton bleekjes af bij die van de leeuw: 3.388 Newton.