Praat, of blijf een outsider

Wij Nederlanders zijn pas tolerant als we een beetje contact hebben gemaakt.

Het zou dan ook helpen als immigranten meer over hun drijfveren zouden vertellen.

De meeste mensen zijn van nature geen emigranten. Vraag eens aan uw broer, vriend, buurman of collega of hij graag de rest van zijn leven zou willen doorbrengen in China, Japan, Turkije of dichter bij huis, in Frankrijk, Zweden of Groot-Brittannië. De kans is groot dat hij nee zegt. Het vooruitzicht Chinees, Japans, Turks of Zweeds te moeten leren is afschrikwekkend en het idee dat je verder de hele dag Frans of Engels om je heen zou moeten horen is voor veel Nederlanders ook doodvermoeiend. Je zou je familie en je vrienden missen, je zou je taal missen, je zou ook alle vanzelfsprekendheden missen in de dagelijkse omgang: verwijzingen naar geschiedenislessen op de basisschool en naar algemeen bekend veronderstelde boeken (Max Havelaar, Turks fruit, Pluk van de petteflet, Minoes, Jip en Janneke), refertes aan reclames die iedereen gezien heeft, grapjes over politici, gezeur over het weer, de files en het openbaar vervoer, herinneringen aan nationale rampen.

Je zou de overzichtelijkheid missen van een land dat je in één dag kunt doorkruisen en de vage trots bij het aanschouwen van de Purmer, de Beemster, de Afsluitdijk of de Deltawerken (dat hebben onze voorvaderen toch maar lekker allemaal ingepolderd!).

Misschien ligt dat heel anders in echte immigratielanden als Canada, Australië en de VS, maar bij ons worden immigranten daarom met verwondering bekeken. Wat bezielt iemand om zijn dorpje in Anatolië of het Rifgebergte te verlaten voor een flatje in Kanaleneiland, Bos en Lommer of Leiden-Noord? Wat doen die mensen hier, zwaar gesluierd, gehuld in traditionele djellaba’s met hun schotelantennes op het balkon? Ze zien eruit of ze net zoveel heimwee hebben naar Anatolië en het Rifgebergte als wij zouden hebben naar Nederland in het omgekeerde geval. Waarom zijn ze dan gekomen? Dachten ze dat het hier leuk zou zijn? Vinden ze het hier gezellig, ook al zien ze er niet altijd zo uit? Zijn ze uitgehuwelijkt aan een Europese neef, die op de foto’s veel aardiger leek dan in het echt? Kunnen ze hier met schoonmaakwerk zoveel verdienen dat ze daarvan tien familieleden kunnen onderhouden in Anatolië of het Rifgebergte en offeren ze zich voor die tien familieleden op? Hebben ze een villa gekocht in hun land van herkomst, waar ze elke zomer twee maanden wonen en wegen die twee maanden op tegen al die lange maanden afzien in Bos en Lommer of Leiden-Noord? Hebben ze dertig jaar geleden een grote vergissing begaan, die ze niet meer kunnen rechtzetten, omdat hun kinderen hier nu wonen, leren, werken, studeren en niet meer zouden aarden in hun land van herkomst?

Helaas kunnen we het hun niet vragen, want velen van hen spreken zo gebrekkig Nederlands dat een subtiel gesprek over een gevoelig onderwerp als dit onmogelijk is. Maar we willen het wel weten.

Nederland is een land waar alles bespreekbaar moet zijn, schreef de historicus James Kennedy in het boek Een Weloverwogen Dood (2002). Wij willen praten over de dood, over enge ziekten, over euthanasie, over homoseksualiteit, travestie, biseksualiteit, transseksualiteit en over ongewenste kinderloosheid. Of je dat een onderdeel van de Nederlandse identiteit kunt noemen weet ik niet, maar het is sinds een jaar of veertig zonder twijfel een belangrijk element van onze cultuur. We zijn wel tolerant, maar we willen eerst begrijpen hoe het zit.

En dus vragen we het. Niet aan de onaanspreekbare inwoners van de schotelcity’s in onze grote steden maar aan hun nazaten. De Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid beschrijft de daaruit voortvloeiende frustraties op de werkvloer. „Als werknemers weinig informeel contact hebben met collega’s van andere etnische origine, voelen ze zich ongemakkelijk. Ze willen graag een persoonlijk praatje maken met hun collega’s om te begrijpen met wie ze te maken hebben. Een vrouw vertelt bijvoorbeeld dat ze graag met haar Turkse collega – ook een vrouw – wil praten over haar persoonlijke leven. Is ze getrouwd en vooral ook: is ze uit vrije wil getrouwd?” De collega in kwestie valt stil en beroept zich op haar cultuur – wij Turken zijn niet zo open –, maar voor een betere verhouding tussen de verschillende etnische groepen in dit land zou het heel goed zijn als allochtone medeburgers zich op zulke momenten zouden vermannen. Vertel eens wat over jezelf. Aan autochtone kennissen of collega’s, of, voor de hele dapperen: aan televisiekijkend Nederland in een praatprogramma. En heb het dan niet over de plichten van de goede moslim of over feesten in de Turkse of Marokkaanse cultuur, want die verhalen kennen wij wel. Vertel ons de migratiegeschiedenis van je eigen familie. Beschouw openheid daarover maar als een bewijs van geslaagde inburgering of als een bijdrage aan de sociale cohesie in het land. Laat ons zien hoe en waarom emigreren mooi, interessant of nuttig kan zijn. Vergeef ons onze nieuwsgierigheid. Wij zijn geen immigranten. Onze ouders waren ook geen immigranten. Wij zouden voor geen prijs ooit emigranten willen worden. Jullie wel. Of jullie ouders. Praat met ons en leg het ons uit.

Margo Trappenburg is columnist van NRC Handelsblad, politiek wetenschapper, en universitair hoofddocent bij de Utrechtse School voor Bestuurs- en Organisatiewetenschappen.

Meer columns van Trappenburg op margotrappenburg.nl