Pas op voor bedoelingen

Samir A. is alsnog veroordeeld wegens de ,,voorbereiding” van aanslagen. Dat herinnert er aan dat de juridische grens tussen gedachten (die vrij zijn) en daden (die dat niet zijn) precair is.

Er was geen twijfel over de (terroristische) intentie van de verdachte Samir A., zei het gerechtshof Den Haag eind 2005. Maar zijn voorbereidende acties waren zo ,,pril, zo onbeholpen en naïef dat er geen reële dreiging van uit kon gaan”. Daarom bevestigde het hof de vrijspraak van Samir A. die de rechtbank Rotterdam eerder had uitgesproken.

Toch heeft het gerechtshof Amsterdam Samir A. nu alsnog veroordeeld tot 4 jaar wegens het voorbereiden van moord en brandstichting. Op grond van hetzelfde bewijsmateriaal. Dat bestond uit mogelijke ingrediënten voor het maken van een bom die volgens deskundigen nooit zou kunnen werken, hulpstukken als een geluidsdemper en nachtkijker en een aantal primitieve schetsen van bijvoorbeeld het Binnenhof en Schiphol.

Het verschil zit hem in de beslissing van de Hoge Raad om het Haagse arrest te casseren. Ons hoogste rechtscollege gaf te kennen dat er nog eens goed moest worden gekeken of de som van de strafbaarheid hier toch niet groter was dan de stuk voor stuk onvolkomen delen. ,,Erg veel ruimte voor vrijspraak lijkt er niet te zijn”, tekende strafrechthoogleraar Theo de Roos droogjes aan bij de uitspraak van de Hoge Raad. Het hof Amsterdam heeft de voorzet nu keurig ingekopt.

Maakt dat veel uit? Jazeker, want in dit soort zaken dreigt, zoals De Roos opmerkte, altijd het risico van een ,,intentiestrafrecht”, waarbij de veronderstelde bedoeling van de verdachte belangrijker is dan zijn concrete daden. De oorspronkelijke term is Gesinnungsstrafrecht. Deze stamt uit de tijd van nazi-Duitsland. Dat is geen navolgenswaardig voorbeeld – ook niet in een ‘war on terror’ (al mijden wij in Nederland liever deze term).

Niet voor niets is het een grondbeginsel van het Nederlandse strafrecht dat iemand niet veroordeeld kan worden voor denkbeelden, emoties, intenties of voornemens alleen. Er moeten dan ook uiterlijk kenbare aanknopingspunten met een misdrijf zijn om te kunnen spreken van strafbare voorbereiding. De wet zoekt deze in het materiaal dat wordt aangetroffen bij de verdachte. De strafbaarstelling van voorbereiding dateert overigens nog maar van 1994. Een belangrijke aanleiding voor deze breuk met een strafrechtelijke traditie die teruggaat tot 1886 vormden mobiele bankrovers die de politie voor een vervelend dilemma stelden. Als zij pas ingrijpt wanneer de boeven tot handelen overgaan levert dat strafrechtelijk het meeste op. Maar het is ook riskant. Eerder ingrijpen en de zaak zoals dat heet ‘stuk maken’ is veiliger, maar strafrechtelijk minder interessant. Want wat is de straf voor rondrijden bij een bankfiliaal in een busje met daarin bivakmutsen, werktuigen en een stalen biels, tenminste zolang deze niet gereed is gemaakt voor een ramkraak?

Vandaar de strafwet tegen voorbereiding. Deze was niet onomstreden. Ondanks de vrome verzekeringen van het tegendeel is bij het bezit van neutrale alledaagse voorwerpen zoals een hamer of een auto in de praktijk de – veronderstelde – subjectieve intentie al gauw doorslaggevend. Aanvankelijk eiste de wet dat er ten minste twee mensen moeten zijn betrokken bij de voorbereiding, maar dat is komen te vervallen. Op zich niet onlogisch maar wel een objectief element minder.

Het kan moeilijk de bedoeling zijn aperte klunzigheid te bestraffen. Het klassieke voorbeeld is de vrouw die haar man wilde vergiftigen door koperen centen mee te koken in zijn thee, terwijl dat echt niet kan. Dit voorbeeld had het hof Den Haag in de zaak Samir A. kennelijk in het achterhoofd. Het hof Amsterdam zegt nu dat het ‘amateuristische’ en prille karakter van de voorbereiding juist typerend is voor dit delict. Bovendien kon Samir A. altijd nog bijleren.

Je kunt het natuurlijk ook omkeren, blijkt uit een beschouwing van Elies van Sliedregt (Universiteit Leiden) in een eerder stadium. Als de instrumenten van de verdachte zo geïmproviseerd zijn als in het geval van Samir A., kan daar ook uit worden afgeleid dat – althans in het stadium van arrestatie – twijfel op zijn plaats was over zijn precieze bedoelingen. En twijfel geldt in het voordeel van de verdachte. Hoewel? Een maand geleden deed het PvdA-Kamerlid Wolfsen een uitspraak die niet gerust stemt. Hij zei dat terroristen zich ,,immuun hebben gemaakt voor het strafrecht. Daarom moeten we het strafrecht wel oprekken”. Het Kamerlid sprak bij de presentatie van een kritisch rapport over terrorismebestrijding van de Wiardi Beckman Stichting, De bedreigde rechtsstaat. Deze titel geeft al aan dat waakzaamheid geboden blijft. Ook als de intenties goed zijn.

Frank Kuitenbrouwer is medewerker van NRC Handelsblad.kuitenbrouwer@nrc.nl