Kritiek op WRR graag, maar niet eenzijdig

‘De WRR doet alsof er duizend bloemen zouden bloeien als niemand zich met identiteiten zou bemoeien”, schrijft Ruud Koopmans over het WRR-rapport Identificatie met Nederland. Volgens hem is de kern van het rapport dat de Nederlandse eisen voor inburgering en naturalisatie en het Nederlandse publieke debat de integratieproblemen zouden veroorzaken. Dit vraagt om een weerwoord.

Het WRR-rapport is ontstaan uit zorg over het feit dat steeds meer mensen van verschillende achtergronden minder contact met elkaar hebben. Er is sprake van terugtrekgedrag. Dat kan ernstige vormen aannemen zoals radicalisering. Voorts spelen er grote problemen op scholen, op de arbeidsmarkt, in wijken en – ja, ook in het publieke debat. Niet omdat het mensen voor het blok zet, zoals Koopmans beweert, maar omdat het integratievraagstuk een loyaliteitskwestie is geworden. Als verschillende groepen zich niet meer thuisvoelen, is er niet een integratieprobleem maar een samenlevingsprobleem.

De WRR beweert niet dat de Nederlandse identiteit niet bestaat, zoals herhaaldelijk door commentatoren wordt gesteld. Die identiteit is echter gelaagd, multi-interpretabel en in ontwikkeling. We leggen de nadruk op processen van identificatie.

Mensen identificeren zich op verschillende manieren met elkaar en met Nederland. De eerste manier noemen we functionele identificatie. Dat betekent dat we met elkaar verkeren op grond van gemeenschappelijke belangen of taken. Samen naar school, werken en uitgaan geeft inzicht in de ander en daardoor ontstaat sociale cohesie. Normatieve identificatie betekent niet alleen aanpassing aan de heersende normen, maar ook voldoende ruimte om eraan te tornen. De robuuste Nederlandse democratie en rechtsstaat zijn hiervoor bij uitstek geschikt. Ten slotte is er emotionele identificatie, oftewel je thuis voelen in Nederland. Dat is overigens vaak een vanzelfsprekend bijproduct van de twee vorige routes.

Niets van dit alles komt naar voren in de samenvatting van Koopmans. Zijn retorische vraag: „Hoe kan het voor de integratie bevorderlijk zijn als de samenleving zich al op voorhand erbij neerlegt dat de identificatie met Nederland ondergeschikt is?” laat zien dat hij de kern van het rapport volledig mist. Het rapport draait bij uitstek om de verschillende mogelijkheden die er zijn om identificatie met Nederland te versterken.

Koopmans beweert ook dat het WRR-rapport onwetenschappelijk is. Volgens hem is er geen tendens om van migranten te vragen zich aan te passen. Dat is wonderlijk gezien het expliciete kabinetsbeleid van de afgelopen jaren en de vele surveys waaruit steevast blijkt dat veel Nederlanders willen dat migranten assimileren.

Ook schrijft Koopmans: „Wanneer het rapport intolerante tendensen binnen sommige minderheidsculturen bespreekt, dan worden deze steevast als een reactie gezien op politiek en media die de moslims in de orthodoxe of radicale hoek drijven”. Dat is onzin. Het rapport wijdt een heel hoofdstuk aan normen in de multiculturele samenleving als reden – en niet als oorzaak – voor de noodzaak van een hernieuwd debat. Daarnaast is er wel degelijk aandacht voor intolerante tendensen en wordt erop gewezen dat niet alle identiteiten even complementair zijn.

Koopmans stelt dat er geen wetenschappelijk bewijs is dat het toestaan van dubbele nationaliteit de integratie verbetert. Maar gedwongen afstand doen kan wel degelijk negatieve gevolgen hebben. Acculturatiepsychologie wijst erop dat het ontkennen van footprints op langere termijn schadelijke effecten kan hebben op het welzijn van migranten. Maar ons punt is dat het omgekeerde evenmin gestaafd kan worden: het hebben van een dubbele nationaliteit staat niet per se de emotionele band met Nederland in de weg. Koopmans is daarom pragmatisch – maak er niet zo’n punt van. Dat zeggen wij ook, maar we zijn principiëler. Bij de meerderheid van de bevolking leeft immers het idee dat dubbele nationaliteit verband houdt met een gebrek aan loyaliteit.

Het staat Koopmans vrij commentaar te hebben op het WRR-rapport. Maar zijn eenzijdige lezing draagt niet bij tot een geïnformeerd debat.

Prof. Pauline Meurs is lid van de WRR. Zij schreef deze reactie samen met Dennis Broeders, Monique Kremer en Erik Schrijvers, wetenschappelijke medewerkers van de WRR.

Het artikel van Koopmans is te lezen op nrc.nl/opinie