‘Ik eis klassen van 22 leerlingen’

Luister naar de scholen en leraren, niet naar de koepelorganisaties, klonk het op de eerste hoorzitting in het onderzoek naar onderwijsvernieuwingen.

Eén keer liet hij zich horen, de klassiek ontevreden leraar, in de persoon van Jan Berendsen uit Doetinchem. „Ik eis klassen van maximaal 22 leerlingen, 10 procent salaris erbij en 10 procent minder lessen.” Indringend keek hij de leden van de parlementaire onderzoekscommissie onderwijsvernieuwingen aan, alsof zij terstond iets zouden kunnen veranderen aan zijn situatie.

De commissie zat gisteravond achter een tafel in de aula van de Regionale Scholengemeenschap Stad en Esch in Meppel om te luisteren naar wat leraren, schoolbestuurders, conciërges, onderwijsassistenten en ouders te zeggen hadden over de onderwijsvernieuwingen van het afgelopen 25 jaar. Een kakofonie van meningen was het resultaat. Commissievoorzitter Jeroen Dijsselbloem (PvdA) probeerde de discussie in het gareel te houden. Hij staat voor de taak om te beschrijven wat er fout ging met de basisvorming, Tweede Fase, vmbo en het nieuwe leren. De commissie let speciaal op de relatie tussen de overheid en scholen, vertelde Dijsselbloem voorafgaand aan het debat.

„Eerst was er veel kritiek op de overheid, die volgens scholen en leraren de vernieuwingen doorvoerde zonder hen erbij te betrekken. De laatste vernieuwing, het nieuwe leren, komt van de scholen zelf en krijgt ook weer kritiek. Wij willen weten of onderwijswetgeving nog wel werkt”, aldus Dijsselbloem. Daarbij let de commissie ook op de Inspectie van het Onderwijs, die druk zou hebben uitgeoefend op scholen om tegelijk met de Tweede Fase het niet-verplichte studiehuis in te voeren.

Sommige aanwezigen, voornamelijk leraren, wilden de situatie in het onderwijs „terugdraaien” naar de situatie van vóór 1993. Grote scholen moeten weer klein worden, de ambachtsschool moet terug en de leraar moet weer de baas zijn in de klas. Deze groep uitte zich geregeld in stevige bewoordingen – het praktijkonderwijs is „de nek omgedraaid” en de basisvorming was „een zouteloos mengelmoesje”.

De meeste bestuurders vonden juist dat veel zaken niet meer terug te draaien zijn. Een enkeling nam het zelfs op voor deze of gene vernieuwing. Rector Roel Kingma van het Emelwerda College uit Emmeloord bepleitte een „gedifferentieerde basisvorming”, om de tweedeling in het onderwijs tegen te gaan. Wie nu op het vmbo terechtkomt, aldus Kingma, heeft te weinig kansen om nog op te klimmen. Door leerlingen van verschillende niveaus aan het begin van de middelbare school in één onderwijsruimte te zetten, zou de tweedeling worden beperkt. Kingma: „Maar deze keer moeten de scholen het doen, niet de overheid.”

Waar veel toehoorders het over eens waren, is dat de overheid meer moet nadenken over de wijze van invoering van onderwijsvernieuwingen. Zowel scholen als leraren vinden dat de politiek voortaan naar hen moet luisteren, en niet naar de koepelorganisaties. En vernieuwingen zouden meer rekening moeten houden met de bestaande structuur.

De commissieleden hebben de afgelopen maanden zes scholen bezocht, waar ze telkens een uur spraken met bestuurders, leraren en leerlingen. Na de drie regionale bijeenkomsten van deze week, behalve in Meppel nog in Eindhoven en Utrecht, zullen ze verhoren afnemen bij politici die indertijd waren betrokken bij de besluitvorming over de vernieuwingen.

Na afloop van het debat zei Dijsselbloem dat hij „wijzer” is geworden, maar ook „veel verschillende geluiden” heeft gehoord. Vervolgens werd hij nog aangesproken door diverse leraren die nogmaals hun zegje wilden doen. De commissievoorzitter nam geduldig de herhaalde woorden tot zich.

Eerder op de avond had een leraar, bij wijze van uitzondering, een gloedvol betoog gehouden over het ‘leerwerkhuis’ op zijn school. Hij bewees dat het wantrouwen van leraren jegens de overheid diep zit. Op de vraag naar het geheim van deze succesvolle vernieuwing, was zijn antwoord: „Niet van bovenaf opgelegd.”