‘Ik dacht: ik schrijf dat geschenk alvast’

Morgen begint de Kinderboekenweek. Lydia Rood schreef het geschenk.

Rood: „Ik erger me eraan dat kinderen zo in de watten worden gelegd.”

Op een ochtend in oktober 2006 werd Lydia Rood wakker met een goed idee voor een dun boekje. „Ik dacht: ik schrijf dat kinderboekenweekgeschenk alvast. Als ze dan bij me komen, kan het maar beter klaar zijn.” Een tijdje later kwamen ze bij haar. „Ik had vaak gedacht: zou het niet eens tijd worden dat ik het ga doen.”

Nu hapt ze in haar houten huis in Marken naar lucht als ze denkt aan wat komen gaat: de Kinderboekenweek. Dat wil zeggen: de recepties, persbijeenkomsten en fotomomenten. „Ik ben heel verlegen.”

Ze is ook heel uitgesproken. De komende uren zal ze vrolijk tekeergaan tegen „pedante mooischrijverij”, zich opwinden over volwassenen die kinderen niet serieus nemen, haar fantasie over de kop laten slaan en zich buitengewoon tevreden tonen over haar boeken: „Mensen die mijn boeken niet lezen, zeggen: ‘ze schrijft zoveel, dat kan nooit wat zijn.’ Maar kan ik er wat aan doen dat andere schrijvers zulke lapzwansen zijn, dat ze eerst een rondje moeten lopen en de kat aaien voordat ze iets op papier krijgen? Ik werk gewoon dag en nacht.”

Kaloeha Dzong heet het kinderboekenweekgeschenk. Het gaat over de jongen Corijn die al zijn vrije tijd doorbrengt achter zijn computer, in de virtuele wereld Morgana, omdat hij dan niet aan de situatie thuis hoeft te denken. Bij wijze van research zwierf Rood zelf door Second Life. Haar avatar was Lutgardis Ra. „Net als ikzelf een oud, dik en lelijk wijf. Niemand wilde met haar praten.” Ze creëerde ook de gedrongen Surinamer Sjors Raabiaard. „Die kreeg steeds te horen dat hij wat aan zijn huidskleur moest doen.” En ze bedacht de knappe, blonde jongen Kaloeha Dzong. „Met hem wilde iedereen vrienden zijn.” Haar avatars zijn nu personages in het boek dat volgende week in de Kinderboekenweek verschijnt, in een oplage van 432.000 stuks.

Een toegankelijk boek voor een breed publiek. Laat dat maar aan Lydia Rood over.

„Dat denk je maar. Ik heb een grote angst om te expliciet te zijn. Maar ik heb water bij de wijn moeten doen. Mijn eerste versie begon met Kahoela Dzong in Morgana. Ik dacht: dan worden de kinderen nieuwsgierig en komen ze er gaandeweg achter dat het een virtuele wereld is. Maar mijn nichtje van tien dat proeflas, begreep er niets van. Ik keek naar haar ernstige gezichtje terwijl ze las en wat ik daar zag... vreselijk: pure plichtsbetrachting. Het was het afschuwelijkste moment van mijn leven.”

Nu zegt de juf van Corijn al op de eerste bladzijde: ‘De echte wereld is toch veel leuker?’

Rood slaat haar handen voor haar gezicht: „Ik ga dood. Dat zinnetje. Dat is een enorme plens water in de wijn. Luister: ik vond Pinkeltje vroeger prachtig. Nu zie ik de manco’s, maar dat taalgevoel moet je ontwikkelen. Het kinderboekenweekgeschenk moet voor heel veel kinderen leuk zijn. Zeker nu boeken concurreren met computerspelletjes. Dan maar – op verzoek van de uitgever – zo’n zinnetje. Anders raken we ze straks allemaal kwijt en spreken ze alleen nog maar in eenlettergrepige woorden.”

Je kan alles schrijven – ook literatuur?

„Wat jij bedoelt, is literatureluur! Dat kan ik wel, maar dat wil ik niet.”

Ze springt overeind: „Huppekee. Wil je weten wat ik allemaal niet wil...” Ze loopt naar de boekenkast. Ze zoekt een boek van Margriet de Moor. Eerst grijs, dan wit, dan blauw. Ze kan het niet vinden. „Ik heb gewoon geen slechte boeken. Van die pedante mooischrijverij, daar heb ik gewoon heel weinig van.”

Je schrijft anders zelf ook wel eens een mooie zin. Bijvoorbeeld: ‘Ze fietsen van de training naar huis. Met één voet, om te oefenen voor als ze verlamd raakten.’

„Ik herinner me hoe ik dat ook deed als kind, oefenen met één been. En ik oefen nog steeds voor als ik blind word. Dan sta ik in de badkamer met mijn ogen dicht en doe alles op de tast. Je moet je kunnen herinneren hoe het was om kind te zijn, en dat precies zo opschrijven, daar gaat het om, niet meer en niet minder.”

Zou niet iedere zin zo perfect moeten zijn? En zou dat niet beter gaan als je minder zou schrijven?

„Al mijn zinnen zijn perfect. Perfect voor het doel dat ze dienen. Voor de stijl die ik kies. Al mijn zinnen heb ik meer malen gehoord en geproefd en vaak ook voorgelezen. Voor mij zijn ze perfect. Alleen: ze willen het niet weten. Ze maken geen reclame voor zichzelf. Ze kloppen zich niet op de borst: kijk mij eens mooi zijn. Taal moet geen aandacht vragen voor zichzelf. Dat is iets wat ik hartstochtelijk vind.”

Het moet fijn zijn om Lydia Rood te zijn – zo zeker van jezelf.

„Ik ben mijn hele leven lang buitengewoon onzeker geweest over mezelf. Maar het begint fijner te worden om mij te zijn. Ik zit steeds meer achter de knoppen van mijn eigen leven. Ik doe mijn mond open als ik onrecht zie. Dat deed ik twintig jaar geleden ook, maar toen luisterde er niemand. Nu mag ik bijvoorbeeld in opdracht van Flying Doctors naar Kenia om een doktersromannetje te schrijven. Veel van wat ik belangrijk vind, kan ik daar mooi in kwijt.”

Zoals?

„Zoals dat wij hier in Noord-West-Europa denken dat we recht hebben op een beter leven omdat we hier nou toevallig geboren zijn.”

Dat staat allemaal in dat doktersromannetje?

„Tussen de regels door.”

In Amerika is nu de realityserie Kid Nation op televisie waarin kinderen 40 dagen zonder ouders moeten overleven. Dat doet denken aan jouw boek ‘Drakeneiland’, over een eiland waar kinderen die thuis niet deugen moeten overleven zonder volwassenen.

„Als ik multimiljonair was, zou ik graag zo’n experiment willen uitvoeren. Dan kocht ik een eiland, zorgde voor de bevoorrading, regelde een bootje, maakte een rampenplan en stelde iemand aan om kinderen te rekruteren. Dan zou ik van alles kunnen bewijzen over opvoeden. Bovendien zou zo’n experiment de kinderen helpen om een andere, betere kijk op zichzelf te krijgen. Ik kom vaak op scholen. Daar zie ik hoe denigrerend docenten soms omgaan met kinderen wier gedrag ze niet begrijpen. Die kinderen worden voor het leven ongelukkig gemaakt.

„Al vanaf mijn negende, toen ik de naam Roosmarijn verzon voor de dochter die ik ooit zou krijgen, denk ik na over opvoeden. Ik kom uit een onderwijzersfamilie. Ik ben grootgebracht met het gedachtegoed van Theo Thijssen; als je kinderen verantwoordelijkheid geeft, dan nemen ze verantwoordelijkheid. Heel de opvoeding van mijn dochter is daarop gebaseerd geweest. Wil je niet eten? Dan eet je niet. Wil je geen jas aan? Dan doe je geen jas aan.

„Ik erger me eraan dat kinderen zo in de watten worden gelegd, dat ze zo beschermd worden. Ze hebben geen honger meer, lijden geen kou, ze hoeven nooit de vuilnisbak buiten te zetten, ze hebben nergens last van. Op Drakeneiland hebben ze geen brood als ze niet werken, geen limonade als ze geen citroenen plukken.”

Is Kaloeha Dzong een aanklacht tegen een wereld waarin kinderen amper nog buiten komen?

„Niet een aanklacht. Wel een flinke por. Ik snap het wel, dat kinderen achter de computer kruipen. Als kind ben je machteloos. Er moet zo veel en er mag zo weinig. Ik vond dat zelf heel erg. Je was overgeleverd aan allerlei goden en omstandigheden. Nu kun je daaraan ontsnappen met een muis in de hand. Alleen: het is zo saai. Kinderen moeten vuurtje stoken, vissen zonder vergunning. Waarom worden zoveel jonge mannen hooligan, of vandaal, of straatjongen of gaan ze autoracen op een verlaten industrieterrein? Omdat ze biologisch geprogrammeerd zijn om gevaar onder ogen te zien, om mammoeten en vijandige stammen te verjagen. Die jongens moeten iets doen! Leer ze dat, leer ze dat opzoeken. Maar wat doet men? Ze leggen rubberen tegels onder een klimrek. Rubberen tegels! Hoe haal je het in je hoofd.”

Voor de activiteiten van Lydia Rood tijdens de kinderboekenweek, zie: www.lydiarood.nl

De 53ste Kinderboekenweek heeft als motto ‘Sub Rosa – boeken vol geheimen’ en duurt van woensdag 3 t/m zaterdag 13 oktober 2007. Wie in die week voor € 10,- of meer aan kinderboeken koopt, krijgt Kaloeha Dzong van Lydia Rood gratis.