Discuswerpen met een ijzige kalmte

Discuswerper Al Oerter gaf zijn concurrenten het gevoel dat hij over magische krachten beschikte. Die uitstraling bracht hem vier olympische titels.

Henk Stouwdam

Al Oerter was een bijzonder mens, maar vooral een bijzondere sportman. De Amerikaanse discuswerper die bij vier Olympische Spelen op rij een gouden medaille won, gaf zijn tegenstanders het gevoel dat hij onoverwinnelijk was.

„Wanneer je tegen Oerter werpt, verwacht je niet te winnen. Je hoopt het alleen maar”, zei zijn landgenoot L. Jay Silvester nadat hij in 1968 in Mexico genoegen had moeten nemen met zilver. Generatiegenoot Harold Connolly, Amerikaans kogelslingeraar, omschreef tegenover het sporttijdschrift Sports Illustrated de uitstraling van Oerter: „Hij was magisch. Als hij moest gooien, nam een ijzige kalmte bezit van hem. Daarmee imponeerde Oerter z’n concurrenten. Die keken hem aan en vreesden bij voorbaat zijn worpen.”

Van dat aura was Oerter zich als jonge sprinter niet bewust. Zijn talent voor werpen ontdekte Oerter bij toeval. Tijdens een baantraining viel er een discus voor zijn voeten. Hij raapte het op en wierp het terug; alleen met een gemak en dusdanig ver, dat de verbaasde discuscoach hem prompt voorstelde van discipline te veranderen. Oerter volgde diens advies op en een ster was geboren.

Die status kreeg hij overigens laat in zijn carrière, omdat Oerter de merkwaardige eigenschap had tegen alle verwachtingen zijn vier gouden medailles te winnen.

Bij de Spelen van 1956 in Melbourne was hij een twintigjarig broekie, dat onmogelijk kon winnen van zijn landgenoot Fortune Gordien en de Italiaan Adolfo Consolini. Maar in zijn eerste beurt wierp Oerter een olympisch record van 56,36 meter. En niemand die hem meer overtrof.

Dat Oerter vier jaar later aan de Spelen in Rome kon meedoen was een medisch wonder, omdat hij in 1957 ernstig gewond was geraakt bij een auto-ongeluk. In de olympische finale versloeg hij de favoriet Richard ‘Rink’ Babka. Saillant detail: de winnende worp (59,18 meter) kwam tot stand nadat Babka Oerter had geadviseerd zijn werparm iets hoger te houden.

In Tokio (1964) won Oerter zijn derde olympische titel, terwijl hij ernstig nekklachten had, onder de pijnstillers zat en was ingetaped vanwege een ribblessure. Maar hij wierp de discus 61 meter ver en versloeg de Tsjechoslowaak Ludvik Danek, die 45 wedstrijden op rij ongeslagen was geweest.

Bij de Spelen in Mexico gold Silvester als de grote favoriet. Maar de magie van Oerter was nog niet uitgewerkt en met een worp van 64,78 meter won hij voor de vierde keer op rij goud (én voor de vierde keer in een olympisch record), een prestatie die tussen 1984 en ’96 bij het verspringen werd geëvenaard door zijn landgenoot Carl Lewis.

Oerter trok zich terug, vooral omdat hij weigerde spierversterkende steroïden te nemen. In aanloop naar de Spelen van Montreal (1976) overwoog hij een rentree en volgde toch een steroïdenkuur. Na drie maanden stopte Oerter ermee, omdat zijn bloeddruk te hoog werd en hij er niet verder door ging gooien. Het bewijs dat steroïden niet werken, zei Oerter destijds. „It’s all in the mind.”

Na vergeefse pogingen om zich te plaatsen voor de Spelen van Moskou (1980) en Los Angeles (1984) stopte Oerter in 1987. Gisteren stierf hij na een hartaanval.