Vrijwilligheid werkt niet bij klimaatdoelen

Milieuminister Cramer (PvdA) zegt in een interview dat zij de klimaatdoelen van het kabinet wil realiseren met convenanten en andere vrijwillige afspraken met het bedrijfsleven. Ze wil niets verplichten (NRC Handelsblad, 27 september). Cramer: „Vrijwillige afspraken werken vaak beter, wel met stok achter de deur natuurlijk. Ik vind dat een vriendelijker manier die ook effectiever is.”

Daarmee sluit Cramer de ogen voor al het onderzoek en de ervaringen uit het verleden, waaruit blijkt dat convenanten niet geschikt zijn om het milieu te verbeteren.

Toegegeven, het lijkt prachtig: geen tijdrovende wetgevingstrajecten, geen ruzie met VNO/NCW of andere machtige spelers in de polder en toch het milieudoel bereiken. Uit de ervaring van de afgelopen vijftien jaar blijkt echter dat milieuconvenanten niet werken. Dat blijkt uit wetenschappelijk onderzoek van het Klimaatpanel van de Verenigde Naties (IPCC). Het IPCC concludeerde in mei dat „het merendeel van de convenanten niet heeft geleid tot een vermindering van de uitstoot van broeikasgassen die verder voert dan business as usual”. Cramer stelt in datzelfde interview terecht dat de vermindering van broeikasgassen een „megaproject” is. Dat vereist dus meer dan business as usual.

Concrete voorbeelden van mislukte milieuconvenanten zijn het meerjarenplan gewasbescherming, het verpakkingenconvenant en het convenant glastuinbouw en milieu. De Europese auto-industrie beloofde in 1998 in het zogeheten ACEA-convenant dat zij de gemiddelde CO2-uitstoot van auto’s zou verminderen tot 140 gram CO2 per km in 2008. Begin september bleek uit onderzoek van de Europese Federatie voor Transport en Milieu dat de CO2-uitstoot van nieuwe auto’s in 2006 gemiddeld 160 gram per kilometer was. Dat is slechts een halve gram minder dan het jaar ervoor. De auto-industrie zal het afgesproken doel in 2008 op geen stukken na halen.

Ook het convenant Benchmarking Energie Efficiency gaat de verkeerde kant op. De afspraak is dat Nederlandse bedrijven in 2012 behoren tot de wereldtop van meest energie-efficiënte bedrijven. Maar naar verwachting zal in 2012 maar liefst 44 procent van de bedrijven minder efficiënt produceren dan de wereldtop, zo bleek uit een tussenevaluatie.

De minister wil „vrijwillige afspraken mét stok achter de deur”. Het probleem is echter dat er geen stok achter de deur is. Het ergste wat een bedrijf overkomt is dat het over enkele jaren het beleid voor zijn kiezen krijgt dat anders nu al ingevoerd zou zijn. Daarmee wordt uitstel beloond. Het is voor een bedrijf aantrekkelijk om zich niet aan het convenant te houden. En als een paar zich er aan onttrekken, zijn de afspraken al gauw dood.

Het convenant Verpakkingen laat zien dat de overheid de stok – een verplicht statiegeldsysteem voor alle drankflesjes en blikjes – niet durft te gebruiken als de afspraken mislukken.

Een vaak genoemd voorbeeld van een geslaagd convenant gaat over energiebesparing in de papierindustrie. Dit is echter niet representatief. Energiebesparing levert in deze sector financieel zoveel op, dat er voor de bedrijven geen enkele reden was zich er níét aan te houden: zonder kostenreductie had de Nederlandse papierindustrie de concurrentie niet overleefd. Het RIVM concludeerde al in 2000 dat convenanten niet méér opleveren dan zonder convenant zou zijn bereikt.

De klimaatdoelstellingen van het kabinet (o.a. 30 procent minder CO2-uitstoot in 2020) vergen een grote verandering van denken en doen. Daarvoor zijn stevige normen, milieuheffingen en verhandelbare emissierechten onontbeerlijk. De CO2-uitstoot moet een prijs krijgen. Dat biedt de enige garantie dat iedereen meedoet. En het is de enige manier om te garanderen dat, als milieu en klimaat even wat minder in de mode zijn, het bedrijfsleven nog steeds meedoet.

Mirjam de Rijk is algemeen directeur van de Stichting Natuur en Milieu.