Voor Ban Ki-moon nadert ’t uur U

Voor secretaris-generaal van de VN, Ban Ki-moon, nadert het uur van de waarheid.

Nu verschillende crises in de wereld uit de hand lopen, kijkt de wereld naar hem.

Al driekwart jaar is hij in functie, maar nu komt het er echt op aan. Nu er politieke stormen woeden over de situatie in Birma en de nucleaire ambities van Iran, nu er een effectieve vredesmacht voor Darfur op de been gebracht moet worden en het beslissende moment nadert voor de toekomst van Kosovo, kijkt de wereld naar Ban Ki-moon (63), de Zuid-Koreaan die op 1 januari Kofi Annan opvolgde als secretaris-generaal van de Verenigde Naties. Kan deze bescheiden, enigszins kleurloze, zacht sprekende man – die zo’n belangrijke positie heeft, maar zo weinig echte macht – iets voor elkaar krijgen?

In harde woorden veroordeelden de Verenigde Staten en andere westerse landen de afgelopen dagen het optreden van het militaire regime van Birma tegen vreedzame demonstranten. Maar harde taal in het openbaar, dat is niet de stijl van Ban – en het past ook slecht bij zijn functie.

In plaats daarvan maande de VN-chef de Birmese machthebbers tot uiterste terughoudendheid, stuurde een speciale gezant naar het land en riep het bewind op tot een dialoog.

Afgelopen week stond voor Ban niet alleen in het teken van de crisis in Birma. Hij sprak, voor het eerst als voorman van de volkerenorganisatie, de openingszitting toe van de Algemene Vergadering, waarin alle 192 lidstaten zijn vertegenwoordigd.

„De wereld verwacht veel van ons”, zei Ban, in een soort beginselverklaring. „We moeten minder aandacht besteden aan retoriek, en meer aan resultaten.” En zo heeft de wereld hem tot nu toe ook leren kennen: behoedzaam, en liefst opererend achter gesloten deuren, minder geneigd dan zijn voorgangers om, als het geweten van de wereld, het op te nemen voor universele waarden en groepen die geen stem hebben.

Ban is een pragmaticus. „En hij heeft”, zegt een diplomaat in New York, „een zekere taaiheid. Als hij besloten heeft zich met een bepaald onderwerp bezig te houden, dan blijft hij het ook hardnekkig volgen.” Al vanaf het moment dat zijn kandidatuur voor de hoogste VN-post vorig jaar bekend werd, gold Ban als ‘kandidaat van Washington’. En dat kleeft hem nog steeds aan.

Het verwijt dat Ban te pro-Amerikaans is, heeft te maken met zijn persoonlijke geschiedenis. Als jongen leerde hij Amerika kennen in de Koreaanse oorlog, als het land dat zíjn land redde – en vervolgens voedde.

De Amerikanen zijn voorlopig zeer tevreden over Ban, zijn aanpak en zijn weerzin tegen hooggestemde politieke uitspraken. Maar bij het personeel van de VN is niet enthousiast gereageerd op Bans steun voor het plan (goedgekeurd door de Veiligheidsraad) om meer activiteiten te ontplooien in Irak – iets waar Washington op had aangedrongen.

Op ander terrein heeft Ban wel duidelijk enige afstand genomen van de Amerikaanse regering – en daarmee, zegt een diplomaat, zijn nek uitgestoken. Hij zet zich persoonlijk en zeer actief in voor de totstandkoming van een nieuw verdrag voor de beperking van CO2-uitstoot, als het Kyoto-protocol in 2012 verloopt. Klimaatverandering is volgens Ban „het bepalende thema van onze tijd”. President Bush benadrukt steeds dat verplichte limieten aan de CO2-uitstoot funest kunnen zijn voor de economische groei. Ban leek daar direct tegen in te gaan toen hij zei: „De kosten van niets doen zullen veel hoger zijn dan de kosten van vroeg ingrijpen.”

Politici verwijten de Verenigde Naties vaak gebrek aan daadkracht, maar de VN kunnen zoveel doen als de lidstaten willen. En die zijn het voorlopig oneens over een aantal fundamentele kwesties, zoals: wanneer mag de internationale gemeenschap ingrijpen in, of zich bemoeien met, aangelegenheden in een soeverein land? De secretaris-generaal kan daarover geen knopen doorhakken, hoogstens discreet proberen partijen bij elkaar te brengen. En dat doet Ban, met onzeker resultaat.