Salafisme biedt jonge moslims ‘derde weg’

Jonge Nederlandse moslims vinden een nieuwe identiteit in het salafisme. „Ze zijn tot de conclusie gekomen dat je hier niet als moslim kunt leven.”

Als een islamitisch meisje wil weten of ze make-up mag dragen, gaat ze niet naar de traditionele moskee om de hoek. Ze zoekt het antwoord op een salafistische website. Een islamitische jongen die wil weten of de jihad in Nederland is toegestaan, vraagt dat aan een Salafistische imam. „Ze willen een antwoord volgens de zuivere leer”, zei antropoloog en islam-onderzoeker Martijn de Koning gisteren tijdens een conferentie over het salafisme, een ultraorthodoxe stroming die terugkeer predikt naar de zuivere islam. „Wat niet wil zeggen dat ze volgens die leer leven. Theorie en praktijk liggen vaak ver uit elkaar. Maar ze willen weten hoe het zit.”

De invloed van het salafisme neemt toe, in Nederland maar ook daarbuiten. Dat bleek gisteren tijdens de conferentie van het instituut voor de studie van de islam (ISIM) en de Radboud Universiteit. Islam-wetenschappers uit alle delen van de wereld waren daar bijeen. Journalisten mochten niet rechtstreeks citeren. Door de gevoeligheid van het onderwerp zouden wetenschappers in hun thuisland niet meer vrij onderzoek kunnen verrichten of zelf gevaar lopen.

Salafistische moslims beroepen zich op de Koran en op talloze uitspraken die in later eeuwen zijn toegeschreven aan de profeet Mohammed. Vorige maand zei minister Ter Horst (Binnenlandse Zaken, PvdA) dat in Nederland tussen de 20.000 en 30.000 mensen zich aangetrokken voelen door de ideeën van het salafisme; er zouden ongeveer 2.500 ‘potentiële’ moslimactivisten rondlopen. „De salafisten claimen dat zij de authentieke islam verkondigen en met veel succes uitgedragen”, zei Martijn de Koning. „Dat heeft aantrekkingskracht. Maar als we het hebben over jongeren die écht salafist worden, die volgens die leer leven, dan gaat het hooguit om driehonderd. Schat ik.”

Martijn de Koning chat regelmatig met acht van hen – jonge vrouwen van Marokkaanse afkomst. Hij leerde hen kennen via internet, het medium bij uitstek voor jonge salafisten. Tegen hun eigen strenge salafistische regels in chatten de jongens en meisjes er gemengd. De Koning vertelt over vier meisjes van hen, onder schuilnamen. De meisjes (tussen de 17 en 23 jaar) zijn goed opgeleid (havo, vwo). Ze groeien op, zoals zoveel tweede en derde generatie Marokkanen, tussen twee culturen. Ze voelen zich niet thuis bij het culturele islamisme van hun ouders, voornamelijk Berbers uit de Rif. Maar ze zijn zich ook zeer bewust van het „exploderende” islamdebat, na 2001 (de aanslagen in de VS). Door de negatieve toon in het debat voelen ze ook afstand tot de Nederlandse samenleving. Op zoek naar een eigen identiteit, is het salafisme voor hen een derde weg: Ze hoeven niet te kiezen tussen Marokko en Nederland, ze zijn moslim. Ineens hebben ze een heldere identiteit, waarin hun Nederlandse cultuur en Marokkaanse achtergrond passen. Typerend voor die menging is een eigengemaakt vignet van de Hofstadgroep dat op de conferentie wordt getoond: met islamistische zwaarden maar ook met Nederlandse leeuwen en het typisch Hollandse motto: ‘Polder Mujahideen’.

Leven volgens de regels van de zuivere islam is intensief (vijf keer per dag bidden, halal eten, een strikte scheiding tussen mannen en vrouwen in acht nemen, veel islamstudie) maar het biedt ook een stevig kader. Vrienden van een van de meisjes met wie De Koning chat en mailt, vertellen dat ze veel rustiger en vrediger werd nadat ze zich bekeerde tot het salafisme. De Koning ziet de overgang naar het salafisme als een bekering, binnen dezelfde religie, vergelijkbaar met reborn christians. De uitleg van de regels van het salafisme meer in detail is bron van voortdurende discussie onder de aanhangers. Die discussies vinden vooral plaats op internet. Salafistisch predikers houden ook lezingen in islamitische jongerencentra en moskeeën.

Met hun afwijzing van integratie en de democratische rechtstaat vormen salafistische jongeren een kleine, geïsoleerde groep. Maar juist in dat isolement bestaat het gevaar van radicalisering, zo waarschuwde Sybrand van Hulst, het hoofd van de AIVD, begin dit jaar. Mohammed B., de moordenaar van Theo van Gogh (2004), maakte een dergelijk proces mee. Ook weer via internet verzamelde hij 350 gigabyte (vijf harde schijven van een gemiddelde computer) aan documenten waarmee hij het gebruik van geweld uiteindelijk voor zichzelf kon rechtvaardigen, vertelde Arabist Ruud Peters op het congres.

Martijn de Koning, die voor zijn promotie onderzoek voor de Vrije Universiteit in Amsterdam deed naar de religieuze identiteit van moslimjongeren tussen de 12 en 22 jaar in een moskee in Gouda, constateert eerder een soort apathie. Een paar jaar geleden leverde elke uitlating van Fortuyn felle discussies op, zegt hij. „Na schooltijd kwamen jongens én meisjes bij elkaar in de moskee en bespraken het nieuws.” Nu reageren de meesten niet meer op uitspraken van Kamerlid Wilders (PVV), ziet De Koning. „Ze willen geen discussie over de islam meer aangaan. Ze zijn murw, ze zijn tot de conclusie gekomen dat je niet als moslim in Nederland kunt leven. Ze willen met rust gelaten worden.”