Ouders en leerlingen mogen klagen over onderwijs

Het openbare deel van het onderzoek naar de vernieuwingen in het onderwijs begint vandaag. Wat wordt er onderzocht?

Het begon veertien jaar geleden met de basisvorming en eindigt voorlopig met het nieuwe leren. De onderwijsvernieuwingen van het afgelopen anderhalve decennium zijn zeer ongelijksoortig, maar één ding hebben ze gemeen: er bestaat veel maatschappelijke onvrede over.

Dat besefte ook de Tweede Kamer, die begin dit jaar de parlementaire onderzoekscommissie onderzoeksvernieuwingen instelde. Hiermee wil de Kamer lessen trekken uit het verleden om nieuwe fouten te voorkomen. Dat het om fouten gaat, lijkt niemand te bestrijden.

Vanavond begint de commissie in Meppel aan een serie van drie regionale bijeenkomsten waar scholen, leraren, ouders en leerlingen hun zegje mogen doen. Daarmee toont de commissie zich voor het eerst in het openbaar. Vier vernieuwingen zijn object van onderzoek: de basisvorming, de Tweede Fase, het vmbo en het nieuwe leren.

De basisvorming, begonnen in 1993 en afgeschaft in 2006, was een hervorming van de eerste leerjaren in het voortgezet onderwijs waarbij leerlingen van alle niveaus dezelfde lessen gingen volgen. Vanaf 1998 volgde een verandering van de bovenbouw, met de instelling van de Tweede Fase. De profielen vervingen de vrije vakkenkeuze en veel scholen kozen tegelijk voor het niet-verplichte studiehuis, dat leerlingen zelfstandiger liet leren. Het vmbo, uit 1999, is de samenvoeging van het vbo en de mavo, bedoeld om de aansluiting op het mbo te verbeteren. Het nieuwe leren, ten slotte, is een didactische vernieuwing waarbij lessen minder klassikaal zijn.

De parlementaire commissie, bestaande uit acht parlementariërs, pakt het ambitieus aan. Zelf bezoeken de Kamerleden scholen, spreken ze met leraren, leerlingen en ouders en horen ze politici die indertijd bij de besluitvorming waren betrokken. Bovendien hebben ze diverse wetenschappers en instanties gevraagd om deelonderzoeken.

Twee hoogleraren onderwijsrecht, Paul Zoontjes (Universiteit van Tilburg) en Dick Mentink (Erasmus Universiteit Rotterdam) gaan na hoe de basisvorming, de Tweede Fase en het vmbo door het parlement zijn gekomen. Het nieuwe leren is niet van hogerhand opgelegd, maar de andere drie vernieuwingen kregen destijds veel steun, zowel van de Tweede Kamer als van scholen en andere onderwijsorganisaties.

Toch zou dit onderzoek controversiële zaken aan het licht kunnen brengen. Zo zei voormalig Tweede Kamerlid Ursie Lambrechts (D66) vorig jaar in NRC Handelsblad over de rol van toenmalig staatssecretaris Netelenbos (Onderwijs, PvdA) bij de besluitvorming rond de Tweede Fase: „Wat ik haar heb verweten, is dat ze niet de volle informatie op tafel heeft gelegd. Een paar dagen nadat de Kamer voor het studiehuis had gestemd, bleek uit een inspectieverslag dat de pilots een groot drama waren. Ik móét aannemen dat zij dat heeft geweten. Dat vind ik stuitend.”

Een tweede studie, van het Sociaal en Cultureel Planbureau, kijkt naar achtergronden en overeenkomsten van de vier vernieuwingen. De Algemene Rekenkamer onderzoekt de financiële middelen die zijn vrijgemaakt.

Tot slot onderzoekt het Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt (ROA) de kwaliteit van het onderwijs, op basis van langlopende cohortonderzoeken en internationaal vergelijkende studies. Onder wetenschappers bestaat al jaren onenigheid over de relatie vernieuwing en kwaliteit. Zo zegt de Groningse onderwijskundige Greetje van der Werf dat ze kan aantonen dat het onderwijsniveau is gedaald sinds de vernieuwingen; andere wetenschappers bestrijden deze conclusie.

Voorzitter Jeroen Dijsselbloem (PvdA) van de parlementaire commissie heeft gezegd dat hij hoopt te kunnen bijdragen aan het doorbreken van de sfeer van malaise die rond het Nederlandse onderwijs hangt. Medio januari 2008 denkt de commissie haar bevindingen te kunnen presenteren.