Het is mooi, zet je schrap

Op de cirkelvormige schildering aan de binnenkant van de drinkschaal is een prachtig, nauwkeurig tafereel aangebracht, waarop we zien hoe Achilles zijn vriend Patroklos verbindt, die blijkbaar in zijn bovenarm is geraakt door een pijl. Het is een door de vaasschilder zelf verzonnen scène, vertelt classicus J.M. Hemelrijk in een fascinerend stuk in het blaadje Amfora van de ‘Vrienden van het Gymnasium’. Noch Homerus, noch enige andere schrijver vermeldt dit voorval. Hemelrijk kijkt heel precies naar de voorstelling die van een ongelooflijke verfijning en elegantie is, met sierlijke lijnen en subtiele detaillering. Achilles buigt zich over Patroklos’ arm, Patroklos kijkt weg van de wond, als iemand die veel pijn heeft. Zijn gezicht is vertrokken, en hij zet zich schrap tegen de pijn met zijn linkerbeen door zijn voet tegen… de rand van de voorstelling te zetten.

Toen ik dat zag, doordat ik het las, schoten de tranen me bijkans in de ogen – de implicaties van zoiets. Een voorstelling die mythisch lijkt maar verzonnen is, die in zichzelf, heel licht en humoristisch zegt: ‘ik ben maar een voorstelling’ en zichzelf tegelijkertijd, in zijn wonderbare esthetiek, volledig serieus neemt. En van wanneer is die vaas? Van tussen 510 en 500 voor Christus, zegt Hemelrijk.

Zo lang geleden. Wat nu postmoderne ironie.

Jaren geleden was er eens op de televisie een programma met filmpjes van een ontdekkingsreiziger in het Amazonegebied. Hij kwam bij een indianenstam en legde contact en op een gegeven moment wilde hij ze iets uitleggen of vragen en maakte daartoe een tekening van een hut. Ze begrepen er niets van. Niet omdat ze zulke hutten niet kenden, nee, ze kenden geen tekeningen. Ze maakten zelf geen afbeeldingen van de werkelijkheid. Het was schokkend om je dat te realiseren, dat er mensen zijn die hun wereld níét afbeelden.

Eigenlijk dacht ik dat dat niet bestond, al dertigduizend jaar voor het begin van onze jaartelling beschilderden prehistorische mensen hun grotten. Maar dat wil natuurlijk niet zeggen dat alle prehistorische volkeren zulke dingen deden of doen. Deze indianen dus niet. Het leek en lijkt me ongeveer de treffendste illustratie van wat ‘primitief’ betekent. Iets heel anders dan: ver in het verleden.

De bloeitijd van de Griekse cultuur was natuurlijk allesbehalve primitief; die was intelligent, fris, rijk, nieuw. Daar wisten ze heel goed wat het verschil was tussen een voorstelling van zaken en de zaak zelf, tussen verhalen en werkelijkheid, tussen een schildering en de wereld. Hun mythen zijn ook geen waarheden, er bestaan ontzaglijk veel varianten en nooit is er een synode geweest, een heilige of een gezagsdrager die daar een canon in heeft aangebracht en die heeft gezegd: dit zijn de ware verhalen, die moet je geloven.

Maar dat de mythen niet voor de enige zuivere waarheid werden versleten, betekent niet dat ze waardeloos werden gevonden. Integendeel. Ze vormden op allerlei manieren de wereldbeschouwing, ze suggereerden dat er machten waren die wij niet in de hand hebben, machten die soms veruiterlijkt werden in de vorm van goden, soms ín de mens woedden.

Las in de nieuwe essaybundel van Stefan Hertmans, Het zwijgen van de tragedie, zijn stuk over Medea, de vrouw die alle redeneringen en rationaliseringen teniet doet door een verschrikkelijke daad te stellen, ze vermoordt haar eigen kinderen, als wraak op de vader van die kinderen. Euripides probeert ons niet te laten geloven dat het goden zijn die haar daartoe aanzetten, het is Medea zelf: ,,Niemand moet denken dat ik onbeduidend ben en over mij laat lopen.” Wel roept ze de goden voortdurend aan en ontsnapt in een hemelse krijgswagen. Dat is misschien Euripides’ manier om de verbeelding te doorbreken.

Hertmans schrijft dat dit soort daden, als die van Medea maar ook die van Antigone, zwijgend naar een waarheid verwijzen: „Hun daden, die dood en verderf met zich meebrengen, schreeuwen woordeloos ten hemel.” Juist in het woordeloze, in het onuitsprekelijke dat toch getoond wordt, zit de kracht van de tragedie, zegt Hertmans. Natuurlijk is dat een heel literaire manier van naar religieuze en mythische verhalen kijken, maar wel een belangrijke. Duistere dingen worden aangeduid, raadselachtige uitspraken gedaan, in verhalen en verbeeldingen.

In het weekblad Opinio stond een grappig stuk afgelopen week, waarin beweerd werd dat het opmerkelijke feit dat de evolutietheorie, toch een algemeen aanvaarde wetenschappelijke theorie, door zo verschrikkelijk veel mensen níét wordt geaccepteerd, te verklaren is uit onze afkeer van het gedrag van apen. Apen gooien hun poep naar elkaar, en dat is nu precies wat wij mensen niet willen. We willen van een andere herkomst zijn, een goddelijke, en dat we dat willen, en dat we elkaar vertellen dat het zo is, dát heeft een enorme beschavende invloed gehad. Anders gooiden we misschien nog steeds met poep.

Het is een roerende, zij het wat simpele, illustratie van wat de macht van verhalen kan zijn. Niet minder dan een hele beschaving bouw je erop. Als je erin gelooft. Maar helemáál geloven hoeft niet, moet zelfs niet.

Dat wisten ze al in 500 voor Christus. Raar eigenlijk, dat mensen daar dan nog steeds zo veel herrie over maken en nog steeds hun eigen voorstellingen voor de waarheid zélf willen houden. Ze zien die voet niet, die zich schrap zet tegen de rand van de voorstelling.