Dichters in het volle daglicht

In Haagse huiskamers vond dit weekeinde het festival Dichters aan Huis plaats. Luisteren naar probeersels, terwijl de ogen afdwalen naar de interieurs.

„Ik ben blij dat alles goed is gegaan”, verzucht Menno Wigman zaterdagmiddag tegen zessen in een Haagse huiskamer. Na vijf bijeenkomsten waarin hij zijn gedichten voorlas, aan één lange tafel gezeten met zijn publiek, zit het er op voor vandaag. Waar hij dan bang voor was, vraagt een van de luisteraars. „Tja, van alles, dat ik me verspreek, dat er niemand komt opdagen, of erger: dat ik merk dat mijn werk de mensen niets doet.”

De poster boy van de Nederlandse dichters verwoordt hiermee de angst van vrijwel alle veertig dichters die het afgelopen weekend in Den Haag hun werk voordroegen in huiskamers, zegt organisator Ferry Simonis. Dat onderwerp keerde steeds terug tijdens het feest, ‘s avonds in het Parkhotel, waar de deelnemers overnachtten.

Er is ook geen ontsnappen aan: met zo rond de tien, twaalf toehoorders per keer, vaak gezeten op nauwelijks een armlengte afstand en in het volle daglicht, kán het de dichter niet ontgaan hoe zijn werk valt. Het publiek is beschaafd, maar bij oudgediende H.C. ten Berge dwalen de blikken steeds vaker en langer af naar de indrukwekkende kunstcollectie van weduwe Bons. En dat terwijl zijn serie gedichten over een oud landhuis, en alle verlangens en onbestemd verdriet van een mensenleven waar dat voor staat, aanvankelijk wel wist te boeien.

Toch heeft Fred Simonis geen moeite dichters te vinden voor het tweejaarlijkse evenement, dat telkens zo tegen de duizend bezoekers trekt. Naast bekende, oudere dichters als Tom Lanoye, K. Schippers en Neeltje Maria Min programmeert Simonis ook jongere dichters, om zo ook een breed publiek aan te trekken. Dat lukt maar half. De meerderheid is ruimschoots ouder dan vijftig, maar er zijn voldoende dertigers en jongens van zeventien om de indruk te wekken dat het evenement een toekomst heeft.

En terecht, want er zijn voldoende redenen te komen luisteren, nog afgezien van het voyeuristische genoegen om rond te kijken in de vaak bijzondere huizen van mensen die je niet kent. Bijvoorbeeld omdat vrijwel alle dichters tekst en uitleg geven bij hun werk. Alexis de Roode zegt over zijn nog ongepubliceerde Stad en Land dat hij in één bundel het wezen wil vatten van mens, stad én natuur. Veel van zijn gedichten hadden indirect de taal als onderwerp. Zoals in het gedicht waarin hij telkens met de woorden: „Laten we zeggen, ik ben een...” vrouw, man, moordenaar, hoer, koning, dode en lezer typeert. De hoer heeft een „kut die ik verkoop”, en vindt dat ook lelijke woorden. Maar: „Mensen hechten aan mooie taal, tot het er op aankomt.”

Menno Wigman vertelt over het gedicht dat hij schreef voor een vrouw die alleen stierf en ook alleen begraven werd, dat een vrij abstracte bespiegeling werd over de tastbare overblijfselen van een bestaan. Hij schreef het in opdracht van de gemeente, dat dichters inschakelt om te spreken op begrafenissen van de eenzamen. „Maar later kwam ik erachter dat de vrouw zeven kinderen had, waarvan er een paar zelfs hun naam hadden laten veranderen. Als ik dat had geweten, was het een ander gedicht geworden.”

Een andere reden om te gaan zijn de probeersels. K. Schippers schreef een gedicht dat alleen uit ‘soldatenwoordjes’ bestaat, zoals en, tot, over, naar, onder. Om te testen of de regels ook iets betekenden, door hun volgorde of de intonatie, liet hij het ook voorlezen door een vrouw uit het publiek. Het werd een heel ander werk.

De meerwaarde van het festival openbaarde zich het beste bij Robert Anker. Na een chronologische bloemlezing, afgewisseld met toelichting over zijn levensloop, eindigde hij met een nog niet gepubliceerd gedicht over zijn vader. Onkarakteristiek snel geschreven, plotseling geïnspireerd door het uitzicht uit een raam, terwijl hij aan zijn roman werkte. Na de laatste regels, waarin hij zijn overleden vader hoort in de storm – „Hij schreeuwt zoals hij altijd zweeg” – is niet alleen het publiek ontroert. Ook de dichter zwijgt.