De kale en de Eend

Achter het hotel in Mazan ligt de Mont Ventoux met de kale top in de nevel. Donkergrijze wolken ontnemen me het zicht op het maanlandschap waar ik straks met mijn fiets moet eindigen.

Hoe koud zal het boven zijn? Wat moet ik aan? Angstig raadpleeg ik wielervrienden in Nederland, die allemaal thuis naar het WK wielrennen op tv kijken.

Ik krijg duizend antwoorden: driekwartsbroek, insmeren met hete balsem, lange mouwen, sneeuwmuts.

Ik heb het officiële tenue van de Italiaanse nationale ploeg bij me, deze zomer gekocht in Cecina. Paolo Bettini reed in het azuur blauw het WK. In Duitsland denken ze nu dat iedereen, zelfs Angela Merkel en de paus, aan de doping verslingerd is.

Het zou een mooi eerbetoon aan de Italiaanse vechtersbaas zijn, rijden in dat dunne shirt met die zeem zo zacht als de vulling van een koningszetel. Maar ja, ik moet de koude Ventoux op, de berg der bergen waar ik al zo lang tegenop zie en die ik al zolang wil beklimmen.

Ik pak een dikker shirt, doe armstukken om, wrijf bij de start in Bédoin mijn benen in met een warm goedje. Weg ben ik. De stijgingspercentages staan op de kilometerpaaltjes.

9,7%. 8.6%. 10.7 %.

Het is nog helder tussen de bomen maar de mist trekt al langzaam in mijn hoofd. Welk bewijs lever ik als ik straks boven kom?

Onder mijn wiel flitst in blokschrift de naam Landis door. Kalkletters blijven lang leesbaar op asfalt, zelfs al je naam weer een beetje in de vergetelheid raakt.

Zwartgele palen glijden links aan me voorbij. Dit zijn de laatste kilometers van de klim. Flarden van nevel waaien me tegemoet. Er zijn verder geen andere fietsers meer. Het wordt donker. Ik hoor de ketting over mijn tanden gaan.

Een kilometer verder rijdt er opeens een oude Eend achter me. De auto komt me niet voorbij. Ik, De Kale, en hij, De Eend, we rijden 10 kilometer per uur. Zijn koplampen schijnen op mijn gespannen kuiten. Het zicht is nog maar vijf meter.

Onder mij zie ik asfalt en een witte markeringslijn, rechts naast me een vaalgele steenmassa en rondom mist. Ik breng het totale leven terug tot een cocon waarin ik twee trappers rondmaal.

In de schemer zie ik rechts in de berm vaag een rode bidon liggen. Hier is het monument van Tom Simpson. Hij overleed op 13 juli 1967 aan een mix van hitte, alcohol en een paar pillen.

In een wolk van mist schreeuw ik Simpsons laatste zin, vlak voor hij stierf: ‘Put me on my bike!’ Ik bal mijn vuist richting herdenkingssteen. Ter aanmoediging van hem en mezelf. Ik put moed uit de dood van een wielerprof die dope nam.

Maakt de hoogte dan toch een beetje gek? Voor me doemen rode achterlichten op. Het lijkt wel of er auto’s stilstaan op de weg. Het is ook zo.

Allemaal Eendjes van de Franse Eendenclub.

Verdomme.

Ik ontwijk ze en moet onmiddellijk rechtsaf, scherp omhoog. De laatste bocht naar de top. Ik zie geen streep.

Alles is wit van de mist. Ik rem als ik voel dat ik niet meer stijg. Mijn schoenen staan voor het eerst na 21 kilometer klimmen op de grond. De Kale is op de top van de Mont Ventoux. 1912 meter hoog.

Ik sta in de mist. De natuur is de baas. Ik heb niets te vertellen.