Bert Haanstra sneed mild beeld van Nederland

Bert Haanstra, door het filmfestival in Utrecht geëerd met een retro-spectief , was ooit geliefd, toen verguisd en vergeten, en wordt nu herondekt.

„Een bijna immoreel filmpje” noemde het revolutionaire filmblad Skoop begin jaren zestig Bert Haanstra’s Artis-documentaire Zoo. Het blad vond dat Haanstra misbruik van de montage maakte: „Dat is bedonderen!” Alleman, over het leven van gewone Nederlanders, vond evenmin genade. „Waarom laat Haanstra uit zijn ‘candid’ visie op Holland neuspeuteraars, gebochelden, debielen en poliopatiënten weg?” schreef Jan Blokker. De criticus, die nota bene een paar jaar eerder nog het script van Haanstra’s Fanfare schreef, vond dat Haanstra een „kwalijk spelletje” speelde met de mensen die in Alleman te zien waren.

Zoals de jonge Franse filmers van de nouvelle vague gehakt maakten van de cinéma de papa, zo pakte de eerste generatie studenten van de Nederlandse Filmakademie in Skoop de Nederlandse boegbeelden aan. Zoals Haanstra?

De tiende sterfdag van Bert Haanstra (1916-1997) wordt uitgebreid herdacht op het Nederlands Filmfestival in Utrecht: dagelijks wordt een uitputtend retrospectief getoond. In zijn geboorteprovincie Overijssel vindt een groot festival plaats, waar openluchtvertoningen van zijn werk worden begeleid door plaatselijke fanfares. Vorige maand verscheen een dvd-box met zijn oeuvre. En dit najaar wordt in Berlijn een groot overzicht van zijn werk vertoond.

Nadat hij in 1951 met zijn korte film Spiegel van Holland een Grand Prix had gewonnen in Cannes, was Haanstra een naam in de internationale filmwereld. Zijn eerste speelfilm Fanfare (1958) was met 2,6 miljoen bezoekers lange tijd Nederlands best bezochte film ooit. Uit datzelfde jaar komt Glas , een poëtisch filmpje over glasblazers met een ironische kijk op de moderne industrie. Het leverde hem Nederlands eerste Oscar op. Alleman trok 1,6 miljoen bezoekers, en dat voor een documentaire.

Voor Skoop was Haanstra begin jaren zestig een prachtige papa de cinéma om op te schieten. In de loop van de jaren zestig werd het afwijzen van Haanstra in kunstkringen zo vanzelfsprekend, dat hij daar uit de belangstelling verdween. Haanstra vond houvast bij zijn massapubliek. Maar ook daar verloor hij langzaam maar zeker terrein. De documentaire Bij de beesten af trok nog 880.000 bezoekers in Nederland en kreeg vertoningen in ongeveer honderd landen. Naar de speelfilm Dokter Pulder zaait papavers (1975) kwamen 283.000 mensen kijken.

Toen de volgende speelfilm Een pak slaag vier jaar later flopte, was dat een breekpunt. Haanstra’s apenfilms Chimps onder elkaar en Monument voor een gorilla uit de jaren tachtig waren introverte bijna-eenmansproducties.

Toen Haanstra in 1996 als eerste de nieuwe Bert Haanstra Oeuvreprijs ontving, schreef Jan Blokker een lovend artikel: „Hij veranderde in die jaren niet en dat mag je met een gerust geweten zijn grootsheid noemen. De wanen van de dag waren talrijk, en Nederland kreeg zijn eigen jeunes Turcs die in het filmblad Skoop de grond gelijk maakten met Zoo en de staf braken over de beeldrijmelarij in Alleman. Maar Haanstra – ogenschijnlijk van zijn troon gestoten – liet zich niet van zijn à propos brengen.” Dit was de definitieve verzoening tussen de jonge garde van de jaren zestig en de oude baas uit Laren.

Nu doen Haanstra’s films hier en daar misschien ouderwets aan, maar zijn filmkwaliteiten staan nog steeds overeind, niet alleen in de montage, maar ook in de manier waarop hij zijn onderwerpen in beeld brengt, met oog voor het veelzeggende detail in mensen en dingen.

Zijn visie op het Nederland van de jaren vijftig en zestig is velen dierbaar en bovendien hebben deze films met hun milde benadering een nieuwe actualiteit gekregen: ze zijn een verademing in een tijd waarin het uitvergroten van tegenstellingen regel is geworden.