Het decolleté als statussymbool

De juiste jurk dragen was aan het hof eeuwenlang van levensbelang, ontdekt Ellen de Bruin op de expositie ‘Haagse Hofmode’

VERSOBERING: eind achttiende eeuw was herenkleding nog prachtig geborduurd (onder)(foto); een eeuw later droegen alleen vrouwen deze opsmuk nog (hierboven in ‘halve rouw’) Foto’s Hesmerg, Hullegie via Gemeentemuseum
VERSOBERING: eind achttiende eeuw was herenkleding nog prachtig geborduurd (onder)(foto); een eeuw later droegen alleen vrouwen deze opsmuk nog (hierboven in ‘halve rouw’) Foto’s Hesmerg, Hullegie via Gemeentemuseum Assem, Johannes van

Nee, ze komt echt nooit in de verleiding om zelf even zo’n jurk aan te trekken. Ja, ze begrijpt wel dat mensen daar meteen aan denken – die prachtige stoffen, het nodigt allemaal zó uit tot aanraken! Maar aantrekken, nee, dat kan echt niet. Madelief Hohé, conservator van de modecollectie van het Gemeentemuseum Den Haag, weet precies hoe kwetsbaar deze jurken zijn. Maar ze is wel blij dat ze nu weer tentoongesteld worden, dat ze even naar buiten mogen, in plaats van werkloos in het donkere depot te hangen of te liggen.

Gisteren opende de tentoonstelling ‘Haagse Hofmode’, over kleding uit de hofcultuur van de achttiende tot de twintigste eeuw. Niet de kleding van leden van het Koninklijk Huis zelf, legt Hohé uit. „Die jurken hangen op Het Loo, daar komen ze tot hun recht. Wij hebben juist veel in de collectie van de groep eromheen die zich net iets vrijer voelde om zich echt helemaal naar de laatste mode te kleden.” In de jaren vijftig kreeg het (toen nog aparte) Nederlands Kostuummuseum in Den Haag veel kleding van de families van bijvoorbeeld de hofdames. „Ja, die waren zelf ook van adel. Er was maar een klein kringetje van mensen dat daarvoor werd benaderd – je moest ook enig organisatorisch talent hebben, van adel zijn alleen was niet genoeg”, vertelt Hohé. „Het was Wilhelmina die, pas na de Tweede Wereldoorlog, heeft gebroken met die traditie om alleen mensen van adel te benaderen om hofdame te worden – zij wilde ook mensen uit het verzet, voor wie ze bewondering had.”

toppunt van deftigheid

In die tijd was de Haagse modewereld wel over haar hoogtepunt heen. Maar daarvoor was er eeuwenlang een groep mensen, naar schatting een paar honderd, rond het hof in Den Haag, voor wie mode en kleding van levensbelang was. Amsterdam deed er niet toe; de residentie was het toppunt van deftigheid, van zien en gezien worden. En idealiter sprak je er Frans bij, dat deed men al eeuwen, hoewel zeker na de Eerste Wereldoorlog niet iedereen die taal meer beheerste. In Het dialect van de adel (1985) beschrijft Agnies Pauw van Wieldrecht dat er in Den Haag in die tijd veel Hagois werd gesproken, een soort verbasterd half-Frans. De tentoonstellingscatalogus citeert een vrouw die aan een vriendin wilde melden dat ze tegenwoordig gasverlichting in haar achterhuis had. Ze schreef: ‘J’ai maintenant du gaze dans mon derrière’.

Veel belangrijker dan correct Frans was het aantrekken van de goede kleren bij de goede gelegenheid. Wat de goede jurk was, verschilde met het tijdstip van de dag – bloter naarmate het later op de dag was – en met de leeftijd van de draagster. „Dochters mochten een minder diep decolleté hebben dan hun moeders”, zegt Hohé. „Dat vinden wij nu misschien vreemd, maar een decolleté was een teken van status.” Alles in het nette overigens. Geen cleavage te zien; de jurken bleven boven de gehele borsten. „Alleen de schouders waren bij een diep decolleté helemaal bloot. Dat betekende ook dat er bij openbare gelegenheden flink gestookt werd, anders kregen de vrouwen het koud. Maar de mannen zaten er dan wel in hun dikke wollen pakken bij.”

Dat waren, na de Franse revolutie, niet meer de rijk geborduurde pakken die mannen ooit droegen. „Zo mooi als mannen zich in de zeventiende, achttiende eeuw kleedden, is het nooit meer geweest”, zegt Hohé. Mannen droegen tot in de negentiende eeuw een minder kleurrijk maar nog steeds geborduurd ambtskostuum, waaraan je hun functie kon aflezen. „Daarvoor hadden ze geen ambtskostuum nodig, modieuze kleding drukte je status uit. Maar sinds dat is afgeschaft, lopen onze mannen in feite nog steeds in negentiende-eeuwse kleding in gedekte kleuren.”

halve en lichte rouw

En die mannenmode is tamelijk saai. Zo saai was zelfs de rouwmode uit de toptijd van de Haagse Hofkringen niet – bij lange na niet. „Er was zelfs enigszins feestelijke kleding bij de rouwjurken, want als er iemand dood ging, moest je de buitenlandse gasten wel een diner kunnen aanbieden, en daar horen nu eenmaal bepaalde kleren bij.” Die werden tijdens een rouwperiode gewoon in zwart of grijs uitgevoerd. Het was alleen jammer van alle andere jurken voor het seizoen die vrouwen soms al gekocht hadden, en die ze dan niet aan konden. „Rouw komt altijd onverwacht”, zegt Hohé. „Er hoefde maar iemand in Polen dood te gaan die je als hoveling eigenlijk niet kende, en húp, daar ging het hele hof weer in de rouw. Je had trouwens wel verschillende soorten rouw: zware, halve en lichte rouw. Toen koningin Emma bijvoorbeeld overleed, ging Wilhelmina in zware rouw, want het was haar moeder, maar Juliana mocht in lichtere rouwkleding, want het was haar oma.”

De tentoonstelling heeft ook haar eigen kerkhofje: in een aparte kamer liggen enkele jurken die onherstelbaar kapot zijn gegaan, met grote scheuren en rafels. „Die wilden we ook laten zien”, zegt Hohé. „Ze zijn van zijde, een heel lichte stof, en om ze te verzwaren hebben ze er destijds tinzuur aan toegevoegd. Daar kon de stof helemaal niet tegen, maar het kon ze toen niet schelen dat het vijftig jaar later kapot zou gaan. Wij wilden hier toch laten zien dat deze mooie jurken er zijn geweest.”

Haagse Hofmode, van 15 sept. t/m 2 dec. in het Gemeentemuseum Den Haag, Stadhouderslaan 41, di-zo 11-17u. Bij de tentoonstelling verschijnt de catalogus, getiteld ‘Haagse Hofmode’ (Waanders, € 17,95).